Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 23 juli 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:8649
Feiten
Werkneemster is op 11 augustus 2000 bij GOM in dienst getreden. Zij is sinds 22 april 2014 arbeidsongeschikt. Per 19 april 2016 is aan werkneemster een IVA-uitkering toegekend. In de periode oktober 2018 tot en met november 2019 heeft werkneemster zelf dan wel via haar gemachtigde meerdere malen aan GOM verzocht om de arbeidsovereenkomst te beëindigen onder toekenning van een transitievergoeding. GOM heeft dit geweigerd. Per 1 november 2019 is de arbeidsovereenkomst van rechtswege geëindigd als gevolg van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd door werkneemster. Werkneemster vordert betaling van schadevergoeding.
Oordeel
Partijen twisten over de vraag of de weigering van GOM om in te stemmen met het verzoek van werkneemster om de arbeidsovereenkomst te beëindigen onder toekenning van een transitievergoeding een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van haar verplichting als goed werkgever was en of GOM gehouden is tot vergoeding van schade. De kantonrechter beantwoordt die vragen bevestigend. De Hoge Raad heeft met de beantwoording van de prejudiciële vragen op 9 november 2018 antwoord gegeven op de vraag hoe de norm van goed werkgeverschap moet worden uitgelegd in de situatie dat een werknemer een verzoek doet tot beëindiging van een slapend dienstverband onder toekenning van een transitievergoeding, in het licht van de op 11 juli 2018 aangenomen Wet compensatie transitievergoeding. De Wet compensatie transitievergoeding was al geruime tijd voordat werkneemster de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt aangenomen en gepubliceerd. GOM was dus toen al gehouden om in te stemmen met het verzoek tot beëindiging van het slapend dienstverband, onder toekenning van de transitievergoeding. De enkele omstandigheid dat werkneemster voorafgaand aan haar pensionering niet al een procedure is gestart, maakt niet dat werkneemster daarmee afstand van haar rechten heeft gedaan. GOM was al vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd door werkneemster verplicht om in te stemmen met beëindiging van de arbeidsovereenkomst onder betaling van de transitievergoeding. Als GOM had ingestemd met beëindiging van de arbeidsovereenkomst onder toekenning van een transitievergoeding voordat de arbeidsovereenkomst vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd was geëindigd, had GOM aanspraak kunnen maken op de regeling van de Wet compensatie transitievergoeding. Dat GOM er toen voor heeft gekozen hier niet aan mee te werken en daardoor mogelijk nu niet meer in aanmerking kan komen voor compensatie, is voor haar rekening en risico. De conclusie is dat GOM gehouden was in te stemmen met het verzoek van werkneemster om de arbeidsovereenkomst te beëindigen onder toekenning van een bedrag gelijk aan de transitievergoeding. De weigering om in te stemmen met het verzoek van werkneemster is een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van haar verplichting als goed werkgever. Partijen zijn het er tijdens de mondelinge behandeling over eens geworden dat de hoogte van de transitievergoeding waarop werkneemster aan het einde van de loondoorbetalingsperiode van 104 weken recht had, € 24.491 bruto bedraagt. De vordering wordt tot die hoogte toegewezen.