Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 14 oktober 2021
ECLI:NL:RBNNE:2021:4419
Feiten
Werkneemster is sinds 9 oktober 2017 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) werkgever als winkelassistent. Per 4 juni 2020 is werkneemster uitgevallen wegens ziekte. Op 23 augustus 2021 is werkneemster begonnen met re-integratie in het tweede spoor. Werkneemster vordert om in het eerste spoor te re-integreren. Werkgever weigert werkneemster te laten re-integreren in het eerste spoor, waarvoor volgens werkneemster geen enkele rechtvaardiging bestaat. Het UWV heeft in zijn deskundigenoordelen op 23 februari 2021, 5 juli 2021 en 6 oktober 2021 geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen van werkgever onvoldoende zijn, o.a. omdat werkgever geen gevolg heeft gegeven aan het advies van de bedrijfsarts om te starten met re-integratie in het eerste spoor. Door diverse arbeidsdeskundigen is bij herhaling geoordeeld – te weten op 23 februari 2021, 5 juli 2021 en 6 oktober 2021 – dat werkgever niet aan zijn re-integratieverplichtingen voldoet doordat hij geen re-integratie in het eerste spoor inzet voor werkneemster. Voorts is van belang dat werkneemster ook nu nog niet aan de re-integratie in het eerste spoor is begonnen.
Oordeel
Vooropgesteld wordt dat een werkgever verplicht is om een werknemer te laten re-integreren, althans hij dient daartoe al het mogelijke te doen. Een aanpassing van flexibele werktijden naar vaste werktijden in het rooster van werkneemster kan voor in ieder geval de periode van de re-integratie van werkgever verlangd worden, althans, ter zitting is onvoldoende duidelijk geworden dat dat niet mogelijk zou zijn. Hoe de werktijden er vervolgens in de toekomst uit zouden moeten zien, zal de tijd moeten leren. Daarbij kan het juist zo zijn dat de ervaringen in de eerste spoor re-integratie duidelijkheid bieden over hoe verder te gaan. De kantonrechter acht aannemelijk dat het herstel van werkneemster is vertraagd door de weigering van werkgever om gevolg te geven aan de dringende en herhaalde adviezen van de bedrijfsarts om met de re-integratie te starten. In januari 2020 werd die re-integratie al geadviseerd en toen was de verwachting dat het hersteltraject zes maanden zou gaan duren. Door toedoen van werkgever is de re-integratie pas op 23 augustus 2021 gestart en dan ook nog alleen maar in het tweede spoor, hetgeen werkgever te verwijten valt. Werkgever heeft ook nog aangegeven dat er sprake is van een arbeidsconflict, wat werkneemster heeft bestreden. Het enige dat uit de stukken is gebleken is dat werkneemster maandenlang bij herhaling heeft gevraagd om op vaste uren boventallig ingezet te worden in het kader van de re-integratie, welk verzoek stelselmatig door werkgever is geweigerd om uiteenlopende en niet overtuigende redenen. Daarbij heeft werkgever ook nog eens de herhaalde, dringende adviezen van de bedrijfsarts om re-integratie in het eerste spoor op te starten naast zich neergelegd. Dat kwalificeert niet als een arbeidsconflict maar als handelen in strijd met goed werkgeverschap. De kantonrechter acht het van groot belang dat de re-integratie in het eerste spoor alsnog zo spoedig mogelijk van start gaat. Daarmee is ook het spoedeisend belang van werkneemster gegeven. Wat voor gevolgen het starten van de re-integratie in het eerste spoor heeft voor het thans lopende tweedespoortraject, dienen partijen in onderling overleg af te stemmen. Daarbij geldt in algemene zin dat het eerste spoor voorrang heeft boven het tweede spoor. Wel kan het zo zijn dat het voor werkneemster zinvol is om, naast haar re-integratie in het eerste spoor, ook het tweedespoorre-integratietraject in overleg met werkgever te continueren. Gelet op het voorgaande wordt de vordering van werkneemster toegewezen.