Naar boven ↑

Rechtspraak

SIVAR/werknemer
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 12 oktober 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:10124
Verbod executie dwangsommen. Door de ontstane onrust en het enkel aanzeggen van de dwangsommen is een nieuwe, onwerkbare situatie ontstaan. Zonder inhoudelijk overleg/mediation Ievert niet toelaten tot werkzaamheden geen overtreding van de beschikking op.

Feiten

Werkneemster is sinds 25 november 2013 werkzaam bij Stichting voor Islamitsch voortgezet Onderwijs in Rotterdam E.O. (hierna: SIVOR), eerst in de functie van zorgcoördinator en vanaf 1 januari 2018 in de functie van teamleider zorg. Naar aanleiding van diverse problemen op het Avicenna College heeft de Onderwijsinspectie in oktober 2020 een onderzoeksrapport opgesteld. Onderdeel van de bij het Avicenna College geconstateerde problemen was een conflict tussen de (toenmalige) directie en de medezeggenschapsraad. Vervolgens heeft SIVOR een onderzoek laten verrichten naar de situatie binnen het zorgteam door het bureau Praktijkmensen B.V. (hierna: Praktijkmensen). Nadat werkneemster haar zienswijze op voormeld rapport kenbaar had gemaakt, heeft SIVOR op 30 november 2020 in een gesprek met werkneemster medegedeeld dat zij besloten heeft haar per direct uit haar functie te ontheffen. Op 12 januari 2021 heeft SIVOR werkneemster geschorst voor de duur van (ten hoogste) drie maanden. Tegen deze beslissing heeft werkneemster beroep ingesteld bij de Commissie van beroep funderend onderwijs (hierna: de Commissie van beroep). De Commissie van beroep heeft bij uitspraak van 22 maart 2021 het beroep tegen de besluiten van 30 november 2020 en 12 januari 2021 gegrond verklaard. Bij verzoekschrift van 29 april 2021 heeft SIVOR bij de kantonrechter van deze rechtbank een procedure aanhangig gemaakt tegen werkneemster en verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, onder toekenning van een transitievergoeding. Bij beschikking van 5 juli 2021 (hierna: de beschikking) heeft de kantonrechter de vordering tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst afgewezen, omdat naar haar oordeel voldoende is komen vast te staan dat het verzoek verband houdt met het lidmaatschap van werkneemster van de medezeggenschapsraad. Voorts heeft de kantonrechter het tegenverzoek van werkneemster toegewezen en SIVOR veroordeeld om werkneemster in de gelegenheid te stellen haar werkzaamheden te hervatten. Aan deze veroordeling is een dwangsom verbonden van € 500 per dag dat SIVOR daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000. Tegen de beschikking is geen hoger beroep ingesteld. Op 30 augustus 2021 is werkneemster toegelaten tot het werk. Zij heeft gedurende twee weken feitelijk ook werkzaamheden uitgevoerd. Op 14 september 2021 heeft SIVOR werkneemster een startdocument voorgelegd met daarin een plan van aanpak waarbij gestart wordt met mediation en om werkneemster gedurende die mediation vrij te stellen van haar werkzaamheden. Na de overhandiging van het startdocument is werkneemster naar huis gegaan. Bij brief van 20 september 2021 heeft SIVOR aan werkneemster meegedeeld dat zij haar een spoedschorsing oplegt voor de duur van maximaal vier weken. Tegen deze schorsing heeft werkneemster beroep ingesteld bij de commissie van beroep. Partijen twisten over de vraag of SIVOR dwangsommen heeft verbeurd.

Oordeel

Partijen hebben voorafgaand aan de werkhervatting op 30 augustus 2021 tweemaal met elkaar gesproken. SIVOR heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht op welke wijze zij werkneemster weer geleidelijk in positie wilde brengen en welke werkzaamheden zij aan haar heeft opgedragen. Opvallend hierbij is dat er kennelijk geen concrete afspraken zijn gemaakt over mediation. Het bezwaar van werkneemster dat zij niet werd betrokken bij de activiteiten van het MT, is niet zonder meer terecht. Indien werkneemster meent of meende dat zij haar werkzaamheden op de oude voet kon hervatten, dan miskent zij het oordeel van de kantonrechter dat herstel van de verstoorde verhoudingen nodig is en dat ook zij daarin een rol te spelen heeft. Uit het samenstel van de uitgebreide verklaringen van de medewerkers van het Avicenna College volgt genoegzaam dat er meerdere medewerkers grote moeite hebben met de terugkeer van werkneemster op de werkvloer. Het gaat hierbij onder meer om één ontslagname en één ziekmelding. Het opstellen van het startdocument is in dat licht niet onbegrijpelijk. Hoewel aan werkneemster moet worden toegegeven dat de toonzetting van het startdocument misschien negatief is en dat de vrijstelling van werk verstrekkend is, is het startdocument zelf niet in strijd met de beschikking. In die beschikking is de na de beschikking ontstane onrust uiteraard niet voorzien, terwijl daarin tegelijkertijd is geoordeeld dat van werkneemster een constructieve houding wordt verwacht. Indien en voor zover werkneemster het niet eens was met de inhoud van het startdocument, lag het dan ook op haar weg om inhoudelijk te reageren. Werkneemster had bijvoorbeeld meteen kunnen instemmen met de mediation en daarbij in kunnen zetten op een zo spoedig mogelijk hervatting van haar werkzaamheden. In die mediation had zij ook het door haar ervaren gebrek aan vertrouwen aan de orde kunnen stellen. Hoewel uit het aanzeggen van de dwangsommen en het tegen de nieuwe schorsing gerichte bezwaarschrift kan worden afgeleid dat werkneemster het niet eens was met het startdocument, heeft zij – ondanks de verzoeken daartoe van SIVOR – tot aan de mondelinge behandeling niet inhoudelijk op dat plan gereageerd. Door de ontstane onrust, het uitblijven van een inhoudelijke reactie op het startdocument en het enkel aanzeggen van de dwangsommen is een nieuwe, niet in de beschikking verdisconteerde, onwerkbare situatie ontstaan. Zonder inhoudelijk overleg en/of het starten van mediation, levert het in die nieuwe situatie niet meer toelaten van werkneemster tot haar werkzaamheden naar het voorlopig oordeel geen overtreding van de beschikking op. Uit het voorgaande volgt dat onvoldoende aannemelijk is dat van SIVOR meer inspanningen en zorgvuldigheid konden worden gevergd dan zij heeft betracht. Daarmee is ook onvoldoende gebleken dat SIVOR dwangsommen heeft verbeurd. Dit betekent dat de vordering tot het staken van de executie toewijsbaar is, voor zover deze executie gebaseerd is op de stelling dat SIVOR werkneemster in de periode vanaf 14 september 2021 tot en met heden niet in de gelegenheid heeft gesteld haar werk te hervatten. Indien werkneemster meent dat SIVOR in verband met de wedertewerkstelling wel dwangsommen heeft verbeurd, ligt het op haar weg om een bodemprocedure aanhangig te maken. Het in dit kort geding op te leggen verbod verliest uiteraard zijn werking indien in die bodemprocedure anders wordt beslist. Dit betekent ook dat de reeds verbeurde dwangsommen, met de daarbij in rekening gebrachte kosten ten bedrage van € 95,61, moeten worden terugbetaald.