Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Parlan
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 8 november 2021
ECLI:NL:RBNHO:2021:9608
Het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen, nu niet is vast komen te staan dat werkgever gedurende de re-integratie ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.

Feiten

Werkneemster is op 15 februari 2009 in dienst getreden bij Stichting Parlan in de functie van Jeugdzorgwerker D. Met ingang van juni 2012 is aan werkneemster een WGA-uitkering toegekend. In de loop der jaren is de arbeidsongeschiktheid van werkneemster toegenomen. In verband met de chronische medische aandoening heeft werkneemster een behandeling ondergaan. Om die reden heeft werkneemster zich op 13 maart 2018 ziek gemeld. Parlan heeft op 24 mei 2018 een plan van aanpak opgesteld, waarin is opgenomen dat werkneemster gaat starten met een nieuwe werkplek bij ‘Winkel voor Elkaar’. Op 19 juni 2018 heeft werkneemster zich weer volledig ziek gemeld in verband met een conflict met haar leidinggevende. Mediation en verschillende gesprekken hebben plaatsgevonden. Bij beslissing van 1 april 2020 is aan werkneemster per 10 maart 2020 een IVA-uitkering toegekend. Op 18 november 2020 heeft Parlan toestemming aan het UWV gevraagd om de arbeidsovereenkomst met werkneemster op te zeggen. Op 9 december 2020 heeft het UWV de toestemming verleend. Parlan heeft de arbeidsovereenkomst vervolgens per ingang van 1 april 2021 opgezegd, onder toekenning van de transitievergoeding. Werkneemster verzoekt de kantonrechter Parlan te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding.

Oordeel

De kantonrechter stelt vast dat voor de vraag of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door Parlan hij kijkt naar de periode over 13 maart 2018 tot 10 maart 2020. Het verwijt van werkneemster dat Parlan ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door een argwanende houding aan te nemen jegens werkneemster, waardoor haar arbeidsongeschiktheid is toegenomen, kan de kantonrechter niet volgen. Naar aanleiding van een behandeling die werkneemster moest ondergaan voor een ingegroeide teennagel is tussen partijen een conflict ontstaan. Met werkneemster is de kantonrechter van oordeel dat de bemoeienis van Parlan ver is gegaan om een afspraak te verzetten, maar anderzijds is die bemoeienis ingegeven vanuit een behoefte aan continuïteit. De re-integratie moest immers zo veel mogelijk van de grond komen. Daarmee kan niet gezegd worden dat Parlan ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Daarnaast blijkt uit de rapportage van de arbeidsdeskundige en de eerstejaarsevaluatie dat het eigen werk van werkneemster op dit moment te belastend is. Parlan moest dus naar ander werk zoeken. Dat werk is ook aangeboden aan werkneemster, in Enkhuizen. Parlan heeft daarbij toegelicht dat als de werkzaamheden in Enkhuizen qua re-integratie zouden slagen, Parlan dan had gekeken of elders een vacature beschikbaar zou zijn voor dergelijke werkzaamheden. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Parlan hiermee aan werkneemster die re-integratiemogelijkheid willen bieden. Dat er uiteindelijk geen vacature voor die functie blijkt te zijn, is weliswaar begrijpelijk teleurstellend, maar maakt niet dat Parlan ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Parlan steeds gehandeld conform de adviezen van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundigen. Daarmee komt hij tot de conclusie dat Parlan geen billijke vergoeding is verschuldigd.