Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 17 november 2021
ECLI:NL:RBMNE:2021:5598
Feiten
Werknemer is op 23 augustus 2004 in dienst getreden van (de rechtsvoorgangster van) werkgeefster en was laatstelijk werkzaam als autobuschauffeur. Op 16 mei 2019 heeft werknemer zich ziekgemeld. In de probleemanalyse van 1 juli 2019 staat vermeld dat werknemer is uitgevallen met ernstige beperkingen in zijn persoonlijk en sociaal functioneren en dat er op dat moment geen benutbare mogelijkheden waren. Ook het plan van aanpak en de eerstejaarsevaluatie geven aan dat er geen activiteiten konden worden ondernomen om werknemer te re-integreren. Nadat de arbeidsongeschiktheid 104 weken had geduurd, heeft werkgeefster op 18 mei 2021 toestemming aan het UWV gevraagd om de arbeidsovereenkomst op de b-grond (langdurige arbeidsongeschiktheid) te mogen opzeggen. Het UWV heeft de ontslagaanvraag niet in behandeling genomen, omdat een oordeel van de bedrijfsarts ontbrak. Werkgeefster heeft zich zodoende tot de kantonrechter gewend. Werkgeefster verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op de b-grond.
Oordeel
Voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de b-grond, moest werkgeefster zich primair wenden tot het UWV. Dit is ook gebeurd, maar het UWV heeft toestemming geweigerd, doordat de ontslagaanvraag niet in behandeling is genomen. Omdat werkgeefster niet over een actueel oordeel van de bedrijfsarts beschikte, heeft het UWV niet inhoudelijk kunnen oordelen over de vraag of werknemer langdurig arbeidsongeschikt was wegens ziekte. Tijdens de mondelinge behandeling heeft werknemer gesteld dat hij door ernstige psychische klachten, waarvoor hij ook onder behandeling was, de bedrijfsarts niet heeft kunnen bezoeken. Partijen hebben onderling afgesproken dat werknemer alsnog, desnoods onder begeleiding, door de bedrijfsarts zou worden gekeurd. Die keuring heeft plaatsgevonden en de conclusie van de bedrijfsarts is in deze procedure alsnog overgelegd. Op 18 oktober heeft de bedrijfsarts verklaard dat werknemer structurele beperkingen heeft als gevolg van zijn medische situatie en dat hij daardoor sinds zijn ziekmelding onafgebroken niet in staat is geweest zijn eigen functie of passende functies uit te voeren. Naar het oordeel van de bedrijfsarts is ook geen verbetering van de belastbaarheid te verwachten binnen 26 weken. De kantonrechter is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat geen van partijen een verwijt kan worden gemaakt van het feit dat een actueel oordeel van de bedrijfsarts ontbrak bij de ontslagaanvraag bij het UWV en zal daarom in dit geval het feit dat de ontslagaanvraag niet in behandeling is genomen gelijkstellen met een weigering van het UWV en zichzelf bevoegd achten over het ontbindingsverzoek te oordelen. Op grond van al het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een voldragen b-grond. Herplaatsing van werknemer binnen een redelijke termijn behoort niet tot de mogelijkheden. Het verzoek wordt daarom toegewezen.