Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Sint Franciscus Vlietland Groep
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 19 november 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:11736
Werkneemster, die als leerling-endoscopieverpleegkundige binnen werkgever begon en na haar diplomering werkzaam was als endoscopieverpleegkundige, hoeft niet hoger ingeschaald te worden, omdat geen sprake is van ‘bevordering’ in de zin van de cao Ziekenhuizen.

Feiten

Werkneemster is op 25 augustus 2004 bij Stichting Sint Franciscus Vlietland Groep (hierna: SFVG) in dienst getreden als leerling-verpleegkundige. Werkneemster is voorzitter van de Ondernemingsraad van SFVG. Op de arbeidsovereenkomst tussen werkneemster en SFVG is de cao Ziekenhuizen van toepassing. Werkneemster is op 2 oktober 2018 begonnen met een eenjarige opleiding tot endoscopieverpleegkundige. Zij is op 30 september 2019 gediplomeerd. In verband met voorgenoemde opleiding is werkneemster vanaf 15 januari 2018 werkzaam geweest als aspirant-leerling-endoscopieverpleegkundige en vanaf 1 oktober 2018 als leerling-endoscopieverpleegkundige. Zij is na haar diplomering werkzaam als endoscopieverpleegkundige. Werkneemster heeft gevorderd SFVG te veroordelen om aan haar te betalen het achterstallig salaris vanaf 30 september 2019, de achterstallige eindejaarsuitkering 2019 en 2020, vakantiegeld 2020 en ORT over april en mei 2020.

Oordeel

De kantonrechter stelt vast dat voor beoordeling van de vorderingen de vraag moet worden beantwoord of werkneemster bij indeling in de functie van endoscopieverpleegkundige per 30 september 2019 op grond van de cao twee periodieken hoger ingeschaald had moeten worden. Bij deze vraag komt het aan op de uitleg van de term ‘bevordering’, die niet in de cao is gedefinieerd. De bewoordingen van het cao-artikel laten ruimte voor het scenario van een bevordering naar een functie, die niet in een hogere functiegroep is ingedeeld. Dat en de structuur van het artikel duidt erop dat bevordering en het gaan uitoefenen van een in een hogere functiegroep ingedeelde functie twee aparte situaties vormen. Die uitleg wordt ondersteund door de bewoordingen uit een ander artikel van de cao waarin expliciet verwoord is dat herindeling in een hogere functiegroep geen bevordering is. Dan is de vraag of van bevordering sprake is in het geval een werknemer na diplomering een functie als gediplomeerde gaat uitoefenen. De bewoordingen en de structuur van de cao duiden erop dat diplomering van een eerste zorgopleiding en bevordering niet aan elkaar gelijk zijn, maar twee aparte situaties vormen. Aangezien de cao expliciet spreekt over een eerste zorgopleiding, is de vraag wat te gelden heeft in de situatie van een tweede of een vervolgopleiding. Die situatie is hier aan de orde, omdat de opleiding tot endoscopieverpleegkundige niet de eerste opleiding in de zorg is die werkneemster heeft gevolgd. Voor zover de stelling van werkneemster moet worden gevolgd dat de cao niet de inschaling van een werknemer regelt die na diplomering als gediplomeerde een nieuwe functie gaat uitoefenen, maar alleen de inschaling van de leerling-werknemer en slechts voor de duur van de opleiding, dan geldt dat dit niet ‘automatisch’ meebrengt dat de cao voornoemde situatie dan wél beschrijft of zou moeten beschrijven en dan wel onder de noemer ‘bevordering’. Dat bevordering moet worden uitgelegd als de situatie dat een werknemer na diplomering voor een tweede of vervolgopleiding – in tegenstelling tot diplomering na een eerste opleiding – een functie als gediplomeerde gaat uitoefenen, kan niet worden afgeleid uit de tekst en de structuur van de cao. Nu voorts vaststaat dat werkneemster voorafgaande aan haar diplomering als endoscopieverpleegkundige al sinds 1 oktober 2018 werkzaam was als leerling endoscopieverpleegkundige onderschrijft de kantonrechter de visie van SFVG dat sprake is geweest van een groei in functie en geen bevordering naar de functie van endoscopieverpleegkundige. Nu er geen aanknopingspunten zijn voor de uitleg van de term ‘bevordering’ in de situatie zoals door werkneemster is gesteld, bestaat geen grondslag voor toewijzing van de vorderingen.