Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 30 november 2021
ECLI:NL:GHARL:2021:11051
Feiten
Werknemer is op 1 november 2010 in dienst getreden bij Ketelaar. In het handboek is een passage opgenomen over veilig werken op hoogte en werken met ladders. Op 13 dan wel 14 oktober 2014 heeft er verder een ‘Toolboxmeeting’ plaatsgevonden over werken op hoogte en valgevaar. Op enig moment heeft werknemer de opdracht gekregen om op 21 november 2014 de noodverlichting te controleren. Werknemer heeft – na overleg – de oplegladder voor die werkzaamheden gebruikt. De ladder was opgesteld in een zogeheten reformstand en een collega hield de ladder vast. Nadat werknemer enkele trappen had beklommen is de ladder gaan schuiven en vervolgens ‘ingestort’. Werknemer is daarbij ten val gekomen en zijn linkerenkel is bekneld geraakt. Werknemer heeft Ketelaar op 19 november 2015 aansprakelijk gesteld. Ketelaar heeft werknemer in 2017 meegedeeld geen aansprakelijkheid te erkennen. Op 2 november 2018 heeft op verzoek van werknemer een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. Werknemer heeft in een deelgeschil een verklaring voor recht verzocht dat Ketelaar aansprakelijk is voor de gevolgen van het arbeidsongeval. De kantonrechter heeft het verzoek afgewezen. Werknemer heeft bij dagvaarding hetzelfde gevorderd. Het gaat in deze procedure om het hoger beroep van de deelgeschilprocedure. De kantonrechter heeft bepaald dat daartegen hoger beroep kan worden ingesteld.
Oordeel
Het hof stelt voorop dat niet ter discussie staat dat werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor Ketelaar. Ketelaar is jegens werknemer om die reden aansprakelijk voor de schade die hij daardoor lijdt, tenzij Ketelaar aantoont dat zij haar zorgplicht is nagekomen. Naar het oordeel van het hof staat de toedracht in voldoende mate vast. Het hof is verder van oordeel dat in het midden kan blijven welke ladder exact door werknemer is meegenomen op 21 november 2014 en of deze ladder conform de NEN 2484-norm jaarlijks is gekeurd. Ook indien sprake was van een veilige en niet-gebrekkige opsteekladder heeft Ketelaar aan werknemer onvoldoende effectieve, algemene en specifieke, op de omstandigheden van het geval toegesneden (veiligheids)instructies gegeven en maatregelen genomen voor het werken op hoogte met verschillende ladders, waardoor zij tekort is geschoten in haar zorgplicht. Het is in dat kader ook onvoldoende dat Ketelaar heeft verwezen naar een algemeen monteurshandboek. Ook tijdens de bespreking is het gebruik van ladders te algemeen besproken. Van een werkgever mag in verband met de risico’s die het werken op hoogte met ladders met zich meebrengt, worden verwacht dat hij zijn werknemers uitleg geeft over soorten ladders in het algemeen en over die van het bedrijf in het bijzonder. Ook mag worden verwacht dat effectief uitleg wordt gegeven over de wijze waarop de trappen (veilig) worden gebruikt en de omstandigheden waaronder voor het ene dan wel het andere type ladder moet worden gekozen. Wanneer deze eenvoudige en geëigende veiligheidsmaatregelen worden nagelaten mag je als werkgever niet vertrouwen op de aanwezigheid van een sticker op de trap waarop de werkwijze wordt uitgelegd. Van bewuste roekeloosheid aan de zijde van werknemer is niet gebleken. Het causaal verband tussen de tekortkoming in de zorgplicht en het ongeval en daarmee de schade is gegeven. De gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen.