Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 26 oktober 2021
ECLI:NL:GHDHA:2021:2367
Feiten
Werknemer heeft via Quick Service Uitzendbureau B.V. werkzaamheden verricht bij ‘de VOF’, die een kwekerij exploiteert. Tijdens de uitoefening van deze werkzaamheden heeft zich een ongeval voorgedaan. Op 3 september 2018 stond werknemer – evenals werkgever – op een ladder om werkzaamheden aan het dak van een schuur/kas te verrichten. Op enig moment is werknemer van de ladder gevallen dan wel gesprongen. Hierbij heeft hij letsel (een hielbeenbreuk) opgelopen aan zowel zijn linker- als zijn rechtervoet. Werknemer heeft werkgever c.s. aansprakelijk gesteld. Werknemer heeft in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat werkgever c.s. aansprakelijk zijn voor het door hem opgelopen letsel. De kantonrechter heeft dit toegewezen. Werkgever c.s. komen tegen het vonnis in hoger beroep.
Oordeel
Omdat het ging om werkzaamheden die op een zekere hoogte verricht moesten worden, was het voor werkgever c.s. te voorzien dat voor werknemer valgevaar bestond. Beoordeeld dient te worden of werkgever c.s. in voldoende mate hebben voldaan aan de op hen rustende zorgplicht om te voorkomen dat dit risico zich zou verwezenlijken. Het hof is van oordeel dat in dit concrete geval werkgever c.s. in voldoende mate hebben voldaan aan de op hen rustende zorgplicht om te voorkomen dat werknemer zou vallen, door hem een ladder te laten gebruiken die voldeed aan alle daaraan te stellen eisen. Werkgever c.s. hebben op dit punt terecht gesteld dat de maatstaf niet is “wat het veiligst is”, maar of de werkgever zoveel zorg als redelijkerwijs nodig is heeft betracht, om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werk schade lijdt. Tussen partijen is in geschil op welke hoogte werknemer zijn werkzaamheden verrichtte ten tijde van het ongeval. Het hof overweegt dat de Inspectie SZW geen onderzoek heeft gedaan naar de toedracht van het bedrijfsongeval omdat werknemer heeft geweigerd om daaraan mee te werken, zodat het ontbreken van een ongevalsrapportage voor risico van werknemer komt. Dit brengt mee dat de bewijslast van zijn desbetreffende stelling(en) dat hij werkzaam was op een hoogte van drie meter op werknemer rust. Werknemer heeft dit echter in hoger beroep niet aangetoond, en hiervan evenmin bewijs aangeboden. Mede gelet hierop concludeert het hof dat ervan uitgegaan moet worden dat er geen gevaar bestond voor werknemer om 2,5 meter of meer te vallen. Verder is onweersproken aangevoerd dat werknemer een ervaren medewerker was. Het was ook niet de eerste keer dat werknemer werkzaamheden op een ladder verrichtte. Bovendien is werknemer vooraf geïnstrueerd over de te verrichten werkzaamheden. Mogelijk zijn werkgever c.s. wel nalatig geweest in hun verplichting tot een RI&E. Het ontbreken van een RI&E maakt op zichzelf echter nog niet dat werkgever c.s. hun zorgplicht jegens werknemer met betrekking tot de werkzaamheden op de ladder onvoldoende zouden zijn nagekomen. Vaststaat bovendien dat werkgever zelf samen met werknemer aan het werk was toen het bedrijfsongeval zich voordeed zodat hij op dat moment zelf inhoud gaf aan de op de werkgever rustende verplichting om toezicht te houden op de uitvoering van de werkzaamheden. Werkgever c.s. waren daarom niet verplicht om een (andere) toezichthouder aan te stellen. De conclusie uit dit alles is dat de vordering van werknemer ook op deze grond niet toewijsbaar is.