Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 21 december 2021
ECLI:NL:GHAMS:2021:4053
Feiten
TBB is een stichting die onder meer tot doel heeft de naleving van de cao Bouw & Infra en de cao Bedrijfseigen Regelingen Bouw & Infra te controleren. Werkgever was bestuurder en enig aandeelhouder van GKS-Service. TBB heeft een onderzoek ingesteld naar naleving door GKS-Service van de cao’s over de periode van 29 juni 2017 tot en met 31 maart 2018. Op 31 oktober 2018 heeft de Commissie werkingssfeer de uitspraak gedaan dat het gegronde vermoeden bestaat dat de cao’s op GKS-Service van toepassing zijn en voorts dat voor deze onderneming de Verplichtstellingsbeschikking van het Bedrijfspensioenfonds geldt. Bij brief van 20 februari 2019 heeft TBB aan GKS-Service meegedeeld dat de Commissie naleving heeft vastgesteld dat er een gegrond vermoeden bestaat van het niet naleven van de cao’s en besloten heeft om bij GKS-Service een nalevingsonderzoek te laten instellen. In dat verband heeft zij GKS-Service verzocht om haar binnen vier weken toe te sturen de stukken die genoemd worden in de bij die brief verzonden bijlage en erop gewezen dat bij het niet (volledig) meewerken aan het nalevingsonderzoek een forfaitaire vergoeding verschuldigd is. GKS-Service heeft niet aan het verzoek van TBB voldaan, ook niet na meerdere sommaties. Bij brief van 11 juli 2019 is GKS-Service gesommeerd tot het verlenen van medewerking aan het nalevingsonderzoek en tot het betalen van een forfaitaire schadevergoeding. In eerste aanleg heeft TBB zowel GKS-service als werkgever in rechte betrokken en onder andere gevorderd dat GKS-service wordt veroordeeld tot naleving van de cao’s en betaling van de schadevergoeding. De kantonrechter heeft de vorderingen gedeeltelijk toegewezen, in die zin dat GKS-Service is veroordeeld tot naleving van artikel 5 van de cao’s en zowel GKS-Service als werkgever is veroordeeld tot betaling van een deel van de schadevergoeding. GKS-Service is op 11 februari 2020 in staat van faillissement verklaard. Alleen werkgever heeft tegen het bestreden vonnis hoger beroep ingesteld.
Oordeel
Zoals werknemer terecht betoogt, is niet gesteld of gebleken dat werkgever als werkgever in de zin van de cao’s moet worden aangemerkt. TBB houdt hem ook niet aansprakelijk als werkgever in de zin van de cao’s maar als bestuurder van een tot naleving van de cao’s gehouden werkgever, GKS-Service. Omdat hij geen werkgever in de zin van de cao’s is, kan niet worden gezegd dat werkgever niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de cao’s, aangenomen al – bij wege van veronderstelling – dat GKS-Service onder de werkingssfeer ervan viel. De (hoofdelijke) verplichting van werkgever tot betaling van de forfaitaire schadevergoeding kan daarom niet op de Regeling naleving en/of op de cao’s worden gebaseerd. Van bestuurdersaansprakelijk is geen sprake. Werkgever is geen verbintenis aangegaan namens GKS-Service en het kan hem niet worden toegerekend dat GKS-Service failliet is verklaard. Hoewel werkgever verder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat GKS-Service haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet is nagekomen, is niet gesteld of gebleken dat werkgever ten tijde van dat bewerkstelligen of toelaten wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de handelwijze van GKS-Service tot gevolg zou hebben dat deze geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan aan TBB toe te kennen forfaitaire schadevergoeding. Het hof wijst de vorderingen van TBB jegens werkgever alsnog af.