Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 22 december 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:13398
Feiten
Werkneemster is sinds 1 oktober 2016 op grond van een arbeidsovereenkomst bij werkgeefster werkzaam in de functie van leerkracht. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Primair Onderwijs (PO) van toepassing. In augustus 2021 heeft het UWV onder verwijzing naar het opzegverbod van artikel 3.7 lid 2 cao PO toestemming geweigerd om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. In dat artikel is bepaald dat een werknemer die minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard, na afloop van de loondoorbetalingstermijn van twee jaar niet wordt ontslagen tenzij er sprake is van een zwaarwegend dienstbelang. Werkgeefster verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2022 wegens ziekte of gebreken die langer dan twee jaar hebben geduurd, waardoor werkneemster niet meer in staat is tot het verrichten van de bedongen arbeid en ook dat herplaatsing niet meer mogelijk is. Werkneemster weerspreekt de gronden die aan het verzoek ten grondslag liggen niet en verzoekt in het geval van een ontbinding van de arbeidsovereenkomst de betaling van de transitievergoeding.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat de vraag of artikel 3.7 lid 2 cao PO als opzegverbod moet worden beschouwd in deze zaak in het midden kan blijven. Indien er wel sprake van een opzegverbod zal zijn, stelt de kantonrechter dat werkneemster niet heeft betwist dat er sprake is van een zwaarwegend bedrijfsbelang aan de kant van werkgeefster. Uitgaande van de wettelijke opzegtermijn ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 februari 2022 onder toekenning van een transitievergoeding van € 5.756,27 bruto.