Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Amersfoort), 26 november 2021
ECLI:NL:RBMNE:2021:5840
Kantonrechter stelt werkgever in de gelegenheid bewijsstukken te leveren voor zijn stelling dat het ontslag op staande voet eerder is gegeven en diefstal van kasgelden in de coffeeshop daarvoor de dringende reden was.

Feiten

Werkneemster is vanaf 1 augustus 2020 in dienst van werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor twaalf maanden in de functie van verkoop- en baliemedewerkster voor 24 uur per week bij een coffeeshop. Werkgever is eigenaar van de coffeeshop. Zijn zoon is gevolmachtigd en leidinggevende. Op 6 augustus 2021 heeft werkneemster zich via een whatsappbericht ziek gemeld bij haar leidinggevende. Werkgever heeft het salaris vanaf de maand augustus 2021 niet uitbetaald aan werkneemster. De gemachtigde van werkneemster heeft bij brief van 23 september 2021 geprotesteerd tegen de mededeling van werkgever na de ziekmelding op 6 augustus 2021 dat zij is ontslagen en heeft doorbetaling van het loon vanaf 1 augustus 2021 gevorderd. De leidinggevende van werkneemster heeft op 27 september 2021 telefonisch aan de gemachtigde van werkneemster meegedeeld dat hij werkneemster op 4 augustus 2021 op staande voet heeft ontslagen vanwege diefstal en dat vanaf 1 augustus 2021 sprake is geweest van een nulurencontract. Werkneemster heeft per brief van 29 september 2021 werkgever opnieuw gesommeerd tot doorbetaling van het loon en aanspraak gemaakt op de aanzegvergoeding. De leidinggevende van werkneemster heeft vervolgens op 1 oktober 2021 aan de gemachtigde van werkneemster in een e-mail meegedeeld dat hij werkneemster heeft aangeboden per 1 augustus 2021 verder te gaan met een nulurencontract, waartegen zij geen bezwaar had, dat werkneemster op 4 augustus 2021 mondeling op staande voet is ontslagen vanwege diefstal, dat zij dit heeft erkend en dat haar een ontslagbrief is gegeven. Bij de e-mail is de ontslagbrief als bijlage meegestuurd. Werkneemster verzoekt de kantonrechter de opzegging te vernietigen en voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst na 1 (en 6) augustus 2021 nog bestaat onder gelijke arbeidsvoorwaarden en werkgever te veroordelen tot betaling van het achterstallig salaris.

Oordeel

Partijen verschillen niet van mening dat er een diefstal van geld heeft plaatsgevonden, maar wel of daarop een ontslag op staande voet is gevolgd. Indien de lezing van werkneemster over de reactie van werkgever op de in mei/juni 2021 ontdekte diefstal juist is, is niet aannemelijk dat er uitgaande van de stellingen van werkgever op 4 augustus 2021 een ontslag op staande voet heeft plaatsgevonden. Dan zal slechts aan de orde zijn of het ontslag op staande voet op 6 augustus 2021 wegens de ziekmelding van werkneemster in stand kan blijven. Indien de lezing van werkgever juist is, zal het verzoek van werkneemster niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat de beëindiging van het dienstverband op 4 augustus 2021 heeft plaatsgevonden en zij hiertegen niet tijdig een verzoekschrift heeft ingediend.

Om in deze zaak te kunnen beslissen zal aan de hand van alle omstandigheden die door partijen zijn gesteld, moeten worden beslist of de lezing van werkgever aannemelijk is. Het ligt op zijn weg om te bewijzen dat hij werkneemster op 4 augustus 2021 op staande voet heeft ontslagen. De stelling van werkneemster ter zitting dat het verweer zo ongeloofwaardig en niet onderbouwd is, dat het zonder nader onderzoek moet worden gepasseerd, deelt de kantonrechter niet. In het algemeen zal een werkgever immers nadat hij heeft geconstateerd dat een werknemer op de werkvloer heeft gestolen, de betreffende werknemer hiermee direct confronteren en overgaan tot een ontslag op staande voet. Werkneemster stelt weliswaar dat zij na de ontdekking mocht blijven, omdat er een afbetalingsregeling van zo’n € 6.000 is getroffen door inhouding op haar loon en dat een eerste inhouding van € 500 heeft plaatsgevonden, maar ter zitting is die regeling uiterst vaag gebleven en is geenszins aannemelijk geworden dat, zoals werkneemster stelt, daarvoor al geld op haar salaris is ingehouden.

Het bewijs aan de zijde van werkgever bestaat op dit moment uit de ingediende videobeelden, waaruit blijkt dat  werkneemster geld heeft gestolen, zoals zij ook erkent. Dit is onvoldoende om de lezing van werkneemster – dat deze beelden van mei/juni 2021 dateren – te weerleggen, nu daarop een datum ontbreekt. Werkgever heeft gesteld dat hij al eerder een vermoeden had dat werd gestolen in de coffeeshop, dat er daarom eind juli ook een camera voor de personeelsruimte is gekocht en daar geplaatst is en dat zijn broer op 3/4 augustus 2021 die camerabeelden heeft bekeken. Daarna hebben zijn zoon en diens broer het ontslaggesprek met werkneemster gevoerd en is haar de ontslagbrief uitgereikt, aldus werkgever. Een onderbouwing hiervan ontbreekt echter, terwijl deze gang van zaken door werkneemster uitdrukkelijk wordt betwist. Werkgever heeft hiervan nader bewijs aangeboden onder meer door degenen die aanwezig waren bij het ontslaggesprek als getuigen te laten oproepen. Hij zal daartoe in de gelegenheid worden gesteld. Hij zal dus moeten bewijzen dat pas in augustus 2021 (en niet in mei/juni 2021) de diefstal van het geld is ontdekt en dat hij daarop werkneemster op staande voet heeft ontslagen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.