Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 6 januari 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:489
Vervolg op uitspraak van 26 november 2021 (AR-Updates 2022-0207). Werkgever heeft niet aangetoond dat diefstal de reden was voor het ontslag op staande voet en dat het ontslag al eerder zou zijn gegeven. Vernietiging ontslag op staande voet.

Feiten

Werkgever stelt dat werkneemster op staande voet is ontslagen wegens diefstal van kasgelden. Partijen verschillen niet van mening dat er een diefstal van geld heeft plaatsgevonden, maar wel over de vraag of daarop een ontslag op staande voet is gevolgd. Werkgever heeft een bewijsopdracht gekregen van de stelling dat hij werkneemster op 4 augustus 2021 op staande voet heeft ontslagen, nadat hij begin augustus 2021 bekend werd met diefstal van geld. Werkgever heeft in het kader van de bewijsopdracht twee getuigen doen horen en een ongedateerde ontslagbrief van het ontslaggesprek ingebracht. Werkneemster heeft geen gebruik gemaakt van haar recht om getuigen te doen horen, maar heeft wel voorafgaand aan het getuigenverhoor nader bewijs ingebracht van haar stelling dat de ziekmelding de reden van het ontslag is.

Oordeel

De kantonrechter stelt voorop dat aan beide kanten onduidelijkheid is gebleven over de wijze waarop het ontslag is gegeven. Het verzoek van werkneemster is gebaseerd op de stelling dat haar na haar ziekmelding via whatsapp is gezegd dat zij om die reden niet meer terug hoefde te komen. Hoewel niet geheel duidelijk is wie er in die zin op de ziekmelding heeft gereageerd, acht de kantonrechter aannemelijk dat dit gebeurd is indien het verweer van werkgever dat zij twee dagen daarvoor op staande voet is ontslagen, niet slaagt. Een andere reden voor de beëindiging van het dienstverband is volgens de kantonrechter niet aan de orde. De kantonrechter heeft vervolgens  beoordeeld of werkgever erin is geslaagd zijn stelling aannemelijk te maken dat het ingebrachte nadere (tegen)bewijs van werkneemster hierover ernstige twijfels oproept. Ten aanzien van de ontslagbrief oordeelt de kantonrechter dat deze ongedateerd is en niet voorzien is van een handtekening voor ontvangst en daarmee als onvoldoende bewijs kan worden aangemerkt voor de stelling dat werkneemster daarmee op 4 augustus 2021 op staande voet is ontslagen. Aan de hand van de getuigenverklaringen oordeelt de kantonrechter dat werkgever er niet in is geslaagd het bewijs te leveren van zijn stelling dat hij werkneemster op 4 augustus 2021 vanwege diefstal ontslag op staande voet heeft gegeven. De kantonrechter gaat daarom uit van de lezing van werkneemster dat het ontslag na haar ziekmelding op 6 augustus 2021 is gegeven en dat niet de diefstal, maar de ziekmelding de reden was voor het ontslag. Nu werkgever niet is geslaagd in zijn bewijs om aan te tonen dat het ontslag op staande voet al op 4 augustus 2021 is gegeven, is het verzoek  van werkneemster tot vernietiging van het ontslag op staande voet tijdig ingediend. Vervolgens oordeelt de kantonrechter dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op 1 augustus 2021 onder dezelfde arbeidsvoorwaarden en voor de duur van twaalf maanden is voortgezet. Nu werkgever er niet in is geslaagd te bewijzen dat hij werkneemster op staande voet heeft ontslagen, oordeelt de kantonrechter dat het verzoek tot vernietiging wordt toegewezen. De vorderingen van werkneemster met betrekking tot betaling van het achterstallige en periodieke salaris, de vakantietoeslag en de aanzegvergoeding worden toegewezen.