Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 8 maart 2022
ECLI:NL:GHARL:2022:1760
Feiten
Werknemer heeft gewerkt voor Tielse Recycling. Bij brief van 21 december 2018 heeft hij zijn arbeidsovereenkomst opgezegd. Werknemer heeft aan de kantonrechter onder meer gevraagd om Tielse Recycling te veroordelen achterstallig loon en vakantiegeld te betalen (vermeerderd met de wettelijke verhoging en rente). De kantonrechter heeft daarop het netto-equivalent van € 5.835,74 toegewezen (het achterstallig loon over de periode van 1 december 2018 tot en met 21 januari 2019 en vakantiegeld), vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente. Tielse Recycling komt daar in dit hoger beroep tegen op. Volgens haar is het dienstverband eind december 2018 geëindigd en heeft zij werknemer het loon over december 2018 en het vakantiegeld 2018 betaald. Tielse Recycling klaagt in hoger beroep over de beslissingen van de kantonrechter over (a) de einddatum van het dienstverband, (b) het achterstallige loon over de periode van 1 december 2018 tot en met 21 januari 2019 en (c) het achterstallige vakantiegeld over 2018.
Oordeel
Einddatum dienstverband
Vaststaat dat werknemer zijn arbeidsovereenkomst bij brief van 21 december 2018 heeft opgezegd en dat een opzegtermijn van één maand gold. De kantonrechter heeft overwogen dat niet gebleken is dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een einddatum eerder dan op grond van de geldende opzegtermijn, te weten 21 januari 2019. In hoger beroep legt Tielse Recycling een kopie van een op 24 december 2018 gedateerde brief over van haarzelf aan werknemer, waarin onder meer staat: ‘Geachte werknemer, hierdoor bericht ik u dat ik akkoord ben met uw opzegging van de arbeidsovereenkomst per 21 december 2018’. Kennelijk kan hier volgens Tielse Recycling uit worden afgeleid dat het dienstverband eind december 2018 afliep. Werknemer betwist deze brief te hebben ontvangen. Het hof merkt op dat de inhoud van de brief van 24 december 2018 niet eenduidig wijst op een beëindiging per 31 december 2018. Er wordt immers verwezen naar de opzegging van werknemer per 21 december 2018 en dat kan ook slaan op de brief van werknemer van 21 december 2018, waarin de arbeidsovereenkomst (met inachtneming van de opzegtermijn van één maand) werd opgezegd. Verder kan de ontvangst van de brief van 24 december 2018 niet worden vastgesteld. Werknemer heeft namelijk betwist dat hij deze brief heeft ontvangen en Tielse Recycling heeft daarvan geen bewijs aangeboden. Daarom kan er ook niet van worden uitgegaan dat partijen overeenstemming hadden over een eerdere einddatum dan 21 januari 2019. Dat betekent dat Tielse Recycling loon moet doorbetalen tot en met 21 januari 2019.
Achterstallig loon
Tielse Recycling stelt dat zij op 15 december 2018 € 1.950 aan loon over december 2018 contant aan werknemer heeft uitgekeerd. Ter onderbouwing daarvan wijst zij op het in hoger beroep overgelegde afschrift uit het grootboek 2018 en 2019 van Tielse Recycling. Werknemer erkent dat hij op 15 december 2018 een contante betaling van € 1.950 heeft ontvangen, maar volgens hem zag deze betaling op de maand november 2018. Uit het grootboek blijkt ook dat hij geen salaris had ontvangen over november 2018, aldus werknemer. Gelet op de gemotiveerde betwisting van werknemer (het klopt dat uit het grootboek niet blijkt van een salarisbetaling in november 2018, terwijl de overige salarisbetalingen van januari tot en met oktober 2018 allemaal in het grootboek 2018 zijn verwerkt), gaat ook het hof ervan uit dat de contante betaling op 15 december 2018 op de maand november 2018 zag. Tielse Recycling heeft haar stelling dat zij werknemer betaald heeft over december 2018 dus onvoldoende onderbouwd. Dat geen loon over januari 2019 is betaald, staat vast. De kantonrechter heeft Tielse Recycling dus terecht veroordeeld om het achterstallig (netto)loon over de periode van 1 december 2018 tot en met 21 januari 2019 aan werknemer te betalen.
Achterstallig vakantiegeld 2018
Ook voor de betaling van het vakantiegeld verwijst Tielse Recycling naar het in het geding gebrachte grootboek. Daarin is opgenomen dat op 29 juli 2019 aan werknemer een bedrag van € 1.600,34 is uitgekeerd, onder de noemer ‘SAL werknemer (2018)’. Werknemer erkent dat hij dit bedrag in juli 2019 heeft ontvangen. Volgens hem is dit bedrag ingevolge artikel 6:44 BW toegerekend aan de toen al verschuldigde wettelijke rente en wettelijke verhoging. Naar het oordeel van het hof heeft werknemer hiermee onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij het vakantiegeld over 2018 uitgekeerd heeft gekregen. Hij heeft het ontvangen bedrag ook niet in mindering gebracht op zijn totale vordering en vordert nog steeds zowel het vakantiegeld over 2018 als de gehele wettelijke verhoging en wettelijke rente over het achterstallige loon en vakantiegeld. Het hof zal dit deel van de vordering daarom alsnog afwijzen.
Conclusie
Het hoger beroep slaagt alleen voor zover het is gericht tegen de toewijzing van het vakantiegeld. Toewijsbaar was dus slecht het netto-equivalent van de brutobedragen € 2.550 (december 2018) + € 1.687,50 (januari 2019) = € 4.237,50. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd voor zover Tielse Recycling daarbij is veroordeeld tot betaling van het netto-equivalent van € 5.835,74 bruto, dit wordt dus € 4.237,50 bruto. Voor het overige wordt het vonnis bekrachtigd.