Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/L'Exception B.V.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 22 december 2021
ECLI:NL:RBDHA:2021:16008
Werknemer verzoekt toekenning billijke vergoeding van € 275.882 bruto omdat werkgever in strijd heeft gehandeld met de wederindiensttredingsvoorwaarde van artikel 7:682 lid 4 sub b BW. Verzoek afgewezen.

Feiten

Werknemer is op 1 januari 1999 in dienst getreden van L’Exception B.V. (hierna L’Exception) en werkzaam op de financiële afdeling, tegen een salaris van € 4.069,25 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en bonus. L’Exception verkoopt en levert wijnen aan de horeca. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Drankenindustrie en de Groothandel in Dranken van toepassing. Het UWV heeft bij besluit van 19 oktober 2020 de toestemming geweigerd om de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen (automatisering werkzaamheden) te mogen opzeggen. Bij beschikking van 3 maart 2021 ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2021. Op 21 oktober 2021 stelt werknemer dat L’Exception in strijd heeft gehandeld met artikel 7:682 lid 4 sub b BW omdat (1) per 1 augustus 2021 een medewerker zou zijn aangenomen, die naar zijn mening dezelfde werkzaamheden verricht als die hij verrichtte voordat de arbeidsovereenkomst werd beëindigd en (2) er nog een medewerker bij de administratie werkzaam is die zou worden overgeplaatst naar de afdeling logistiek. Werknemer verzoekt toekenning van een billijke vergoeding. L’Exception verweert zich tegen de toekenning van een billijke vergoeding omdat (1) door de automatisering bijna alle werkzaamheden van werknemer zijn teruggebracht naar 10 uur per week, (2) er per 1 augustus 2021 weliswaar een vervanging heeft plaatsgevonden, maar die werknemer  heeft niet de werkzaamheden van werknemer overgenomen maar verricht grotendeels de taken van de controller en (3) de andere medewerker naar de afdeling logistiek is overgeplaatst.

Oordeel

De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat in zaken die voortvloeien uit titel 10 van Boek 7 BW het bewijsrecht in beginsel van toepassing is, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Omdat werknemer zich beroept op de rechtsgevolgen van zijn stellingen, en omdat L’Exception deze stellingen gemotiveerd heeft weersproken, is het volgens de hoofdregels van het bewijsrecht aan werknemer om zijn stellingen te bewijzen. Er is geen aanleiding om in deze zaak de bewijslast bij L’Exception neer te leggen, zoals door werknemer is bepleit. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft werknemer zijn verzoek onvoldoende onderbouwd. Uit artikel 7:682 lid 4 onder b BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is beëindigd aan die werknemer een billijke vergoeding kan toekennen indien de werkgever binnen een termijn van 26 weken de werkzaamheden van de werknemer door een ander laat verrichten, zonder dat de werkgever de voormalig werknemer in de gelegenheid heeft gesteld zijn vroegere werkzaamheden op de bij de werkgever gebruikelijke voorwaarden te hervatten. Vast staat dat L’Exception binnen 26 weken als bedoeld in artikel 7:682 BW een nieuwe medewerker heeft aangenomen. L’Exception heeft echter gemotiveerd weersproken dat deze medewerker dezelfde werkzaamheden verricht als de werkzaamheden die werknemer voor haar verrichtte. Verwijzing van werknemer naar de LinkedIn-pagina van de nieuwe werknemer levert geen nadere onderbouwing op, omdat naar het oordeel van de kantonrechter daaruit niet blijkt dat de nieuwe medewerker dezelfde werkzaamheden verricht als die van werknemer. De werkzaamheden van de controller zijn niet uitwisselbaar met de werkzaamheden die werknemer verrichtte. Onweersproken is de overplaatsing van de andere medewerker naar de afdeling logistiek. Het verzoek van werknemer wordt afgewezen.