Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 19 april 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:1586
Feiten
Werkneemster is sinds oktober 2007 in dienst van de Rijksoverheid (hierna: werkgeefster). Werkneemster is sinds 18 juli 2018 arbeidsongeschikt. Op 8 april 2019 heeft werkgeefster een loonstop opgelegd aan werkneemster, omdat zij ten onrechte niet zou meewerken aan mediation. Op 11 november 2021 heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat de loonstop onterecht is geweest. Op 30 september 2019 heeft een arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige blijkt onder meer dat het eigen werk van werkneemster niet passend is en ook niet passend te maken is. De arbeidsdeskundige adviseert kort gezegd een tweedespoortraject op te starten. Dit heeft werkgeefster op 13 november 2019 gedaan, waarbij een re-integratiebureau is ingeschakeld om werkneemster te begeleiden. Het UWV heeft op 13 februari 2020 geoordeeld dat werkgeefster onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, zowel in het eerste als in het tweede spoor. Op 10 april 2020 heeft werkgeefster wederom een loonstop opgelegd aan werkneemster, omdat zij zich ten onrechte niet onder begeleiding zou willen stellen van een externe begeleider. Per 15 juli 2020 heeft het UWV een loonsanctie opgelegd aan werkgeefster. Per 10 december 2020 heeft werkgeefster een loonstop opgelegd aan werkneemster, omdat zij geen medewerking wil verlenen aan het inwinnen van een medische/psychische expertise. Het UWV heeft begin april 2021 de loonsanctie bekort tot 25 april 2021. Het UWV heeft daarbij de inspanningen van werkgeefster in het tweede spoor als voldoende beoordeeld. Aan werkneemster is per 13 april 2021 een WIA-uitkering toegekend (zij is 100% arbeidsongeschikt bevonden). Werkgeefster heeft met toestemming van het UWV de arbeidsovereenkomst per 1 november 2021 opgezegd. Werkneemster verzoekt toekenning van een billijke vergoeding van ruim € 850.000 bruto, onder meer omdat werkgeefster volgens haar ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door haar re-integratieverplichtingen ernstig te veronachtzamen. Zie voor de tussenbeschikking AR 2022-0505.
Oordeel
De kantonrechter komt ten aanzien van de re-integratie-inspanningen in het eerste spoor tot de conclusie dat werkgeefster, weliswaar te laat, conform adviezen van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige de re-integratie in het eerste spoor nader heeft ingevuld door inzet van haar eigen Employability Center. Werkneemster heeft in het kader van dit eerste spoor ook gedurende enkele maanden passende werkzaamheden verricht, zodat de re-integratie in het eerste spoor wel daadwerkelijk in gang is gezet, maar dat heeft helaas niet kunnen leiden tot herplaatsing in een passende functie, omdat dit geen structurele plek betrof. Werkneemster heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd dat de arbeidsovereenkomst niet met toestemming van het UWV zou zijn opgezegd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, indien werkgeefster de mogelijkheid van re-integratie via spoor één nader zou hebben onderzocht. De kantonrechter weegt ook mee dat het UWV over de inspanningen na de opgelegde loonsanctie heeft geoordeeld dat het aan partijen niet kan worden verweten dat in het eerste spoor geen verdere vorderingen zijn gemaakt, vanwege de tussen hen ontstane impasse. De kantonrechter is met het UWV van oordeel dat duidelijk is dat het advies van de bedrijfsarts om een medische expertise op te vragen tot grote verdeeldheid heeft geleid tussen partijen, waardoor de re-integratie in het eerste spoor is gestagneerd. Hiervan valt werkgeefster echter geen ernstig verwijt te maken, omdat zij het advies van de bedrijfsarts opvolgde. Dat dit achteraf bezien niet de juiste keuze is geweest, kan niet worden gekwalificeerd als ernstig verwijtbaar handelen, omdat een werkgever in beginsel mag afgaan op de adviezen van de bedrijfsarts. Werkgeefster had zich al met al actiever kunnen opstellen tijdens het eerstespoortraject, maar van ernstig verwijtbaar handelen is geen sprake. Ten aanzien van het tweede spoor heeft werkneemster volgens de kantonrechter onvoldoende naar voren gebracht waaruit zou blijken dat werkgeefster haar re-integratieverplichtingen op dit punt ernstig heeft veronachtzaamd en dat dit tot beëindiging van het dienstverband zou hebben geleid. Hoewel werkgeefster twee keer het loon van werkneemster ten onrechte heeft stopgezet (de loonstops zijn overigens inmiddels teruggedraaid), is op dat punt evenmin sprake van ernstig verwijtbaar handelen. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat er geen aanleiding bestaat om aan werkneemster een billijke vergoeding toe te kennen. De verzoeken worden afgewezen.