Rechtspraak
Feiten
Werknemer is op 9 november 2020 bij werkgever in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar. Op 30 november 2020 is werknemer tijdens het verrichten van bezorgwerkzaamheden voor werkgever betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Op 1 december 2020 hebben partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst ondertekend. Werknemer is weer bezorgwerkzaamheden gaan verrichten voor werkgever, nadat hij rust had gehouden na het verkeersongeval. Daarna is werknemer wederom tijdens het verrichten van bezorgwerkzaamheden voor werkgever betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Daaropvolgend heeft werknemer geen werkzaamheden meer verricht voor werkgever. Bij brief heeft werknemer werkgever onder meer verzocht het loon door te betalen tijdens ziekte. Daaraan heeft werkgever geen gehoor gegaan. Werknemer vordert in kort geding onder meer de betaling van achterstallig salaris.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt aangaande het spoedeisende belang van werknemer. Over de periode na 15 januari 2021 is geen enkele betaling aan werknemer gedaan door werkgever, hetgeen betekent dat werknemer vanaf januari 2021 maar liefst ruim 16 maanden heeft gewacht met het indienen van een loonvordering in kort geding, terwijl bovendien de arbeidsovereenkomst reeds per 9 november 2021 geëindigd is, dus zeven maanden vóór het uitbrengen van de dagvaarding. Zoals werknemer heeft gesteld speelt tussen partijen op de achtergrond een verzekeringskwestie naar aanleiding van het feit dat werknemer onder meer werkgever aansprakelijk heeft gesteld voor de gevolgen van een verkeersongeval op 30 november 2020. Volgens werknemer heeft het feit dat hij heeft gewacht met het instellen van de onderhavige loonvordering ermee te maken dat hij in afwachting was van een reactie van de verzekeraar van werkgever, die de zaak achteraf gezien niet voortvarend heeft opgepakt én inmiddels is gestopt met het uitkeren van voorschotbedragen aan werknemer. Naar het oordeel van de kantonrechter had werknemer, die al geruime tijd en in ieder geval sinds augustus 2021 bijgestaan wordt door zijn advocaat, zich moeten realiseren dat het al dan niet recht hebben op loon op grond van het bestaan van een arbeidsovereenkomst, los staat van de aansprakelijkheid van de werkgever voor geleden schade als gevolg van een ongeval. Door het aanzienlijke tijdsverloop tussen de dag waarna werknemer geen loon meer ontving van werkgever en de dag van dagvaarding, heeft werknemer naar het oordeel van de kantonrechter al met al geen plausibele verklaring gegeven. Tegen deze achtergrond mocht naar het oordeel van de kantonrechter van werknemer verwacht worden te schetsen wat zijn financiële situatie is. Werknemer heeft zijn huidige financiële situatie echter onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Zodoende heeft werknemer niet aannemelijk gemaakt dat hij, ondanks de tijd die hij zelf heeft laten verstrijken voordat hij onderhavige dagvaarding indiende, nu zoveel spoed heeft bij een veroordeling tot betaling van achterstallig loon dat hij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bovendien geldt het volgende. Mede als gevolg van de discussie tussen partijen over de tussen hen overeengekomen arbeidsomvang is het de kantonrechter duidelijk geworden dat de beoordeling van de loonvordering afhankelijk is van nadere bewijslevering. Het kort geding leent zich naar zijn aard niet voor nadere bewijslevering, zodat ook om deze reden de loonvordering van werknemer niet toewijsbaar is.