Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 15 juli 2022
ECLI:NL:RBAMS:2022:4093
Feiten
Werknemer is sinds 3 augustus 2009 in dienst (van de rechtsvoorganger) van Egis Parking Services B.V. (hierna: EPS) en is laatstelijk werkzaam in de functie van medewerker customer service center. Werknemer heeft zich op 23 december 2020 ziek gemeld. De bedrijfsarts stelde vast dat er zowel privé- als werkgerelateerde problemen waren. Daarna is de re-integratie gestart. Werknemer heeft op 28 juni 2021 een officiële waarschuwing gekregen, omdat hij niet meewerkte aan zijn re-integratie. EPS heeft op 14 oktober 2021 een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd over de arbeidsongeschiktheid van werknemer en of de op 12 oktober 2021 aangeboden werkzaamheden passend waren. Die werkzaamheden werden als passend beoordeeld. Vervolgens heeft werknemer opnieuw een officiële waarschuwing gehad en later is ook zijn loon stopgezet. Bij brief van 11 april 2022 heeft EPS kort samengevat laten weten dat ze, omdat werknemer zich opnieuw niet hield aan de afspraken rondom de re-integratie en geen verantwoordelijkheid nam voor de situatie, de arbeidsovereenkomst wilde (laten) beëindigen. Werknemer is daarna volledig arbeidsgeschikt verklaard en houdt zich beschikbaar voor werk. EPS verzoekt onder meer de arbeidsovereenkomst te ontbinden primair op de e-grond, subsidiair op de g-grond en meer subsidiair op de i-grond.
Oordeel
Werknemer was tijdens de indiening van het verzoekschrift arbeidsongeschikt, zodat in beginsel het opzegverbod tijdens ziekte van artikel 7:670 lid 1 BW gold. Gegeven dat EPS haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst baseert op het niet nakomen door werknemer van zijn re-integratieverplichtingen en zijn houding en gedrag tijdens de ziekte- en re-integratieperiode, houdt het verzoek verband met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft. Werknemer is weliswaar sinds 13 juni 2022 weer volledig arbeidsgeschikt, maar dat neemt niet weg dat het verzoek is gebaseerd op verwijtbaar handelen van werknemer tijdens ziekte en EPS derhalve moet voldoen aan de in dat verband geldende voorwaarden van artikel 7:671b lid 5 BW, waaronder het overleggen van een verklaring ter zake van een deskundige als bedoeld in artikel 7:629a BW. Anders dan door EPS gesteld kan het deskundigenoordeel van 30 december 2021 niet als een dergelijke verklaring worden beschouwd. EPS kan niet worden gevolgd in haar stellingen dat vanwege de urgentie van de zaak, de lange wachttijd bij het UWV en de voortdurende tegenwerking van werknemer in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd een dergelijke verklaring van een deskundige in te brengen. Zodoende is EPS niet ontvankelijk in haar verzoek tot ontbinding op de e-grond. Voorts wordt overwogen dat EPS het werknemer met name ernstig aanrekent hoe hij zich tijdens zijn ziekteperiode en de re-integratie naar de medewerkers van EPS, die betrokken waren bij zijn verzuim, heeft gedragen en zijn soms onaangepaste of agressieve houding tijdens het hele re-integratieperiode. Uit de verslagen van de bedrijfsarts is op te maken dat dit gedrag, waarvan werknemer zich overigens bewust is en waarvan hij spijt heeft betuigd, voor een belangrijk deel voortkomt uit de (medische) situatie waarin hij verkeerde. Niet weersproken is dat werknemer door de vechtscheiding waarin hij was beland, dakloos was geworden, zijn kind niet meer mocht zien en daardoor zijn toekomst uitzichtloos leek. Volgens werknemer is zijn gedrag daardoor veranderd, kreeg hij psychische problemen en was hij uitermate prikkelbaar. Juist dat prikkelbare, opvliegende en felle gedrag verwijt EPS hem. Aldus kan worden geconcludeerd dat de feiten waarop EPS haar verzoek tot ontbinding baseert, verband houden met zijn ziekte. Gelet op het opzegverbod tijdens ziekte, is het verzoek ook daarom niet toewijsbaar. Verder wordt overwogen dat onvoldoende is toegelicht dat sprake is van een duurzame en ernstige verstoring, zodanig dat van EPS in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Zodoende volgt hieruit dat ook de combinatie van omstandigheden als bedoeld in artikel 7:671b BW juncto artikel 7:669 lid 1 sub i BW EPS niet kan baten. Al met al wordt het verzoek tot ontbinding afgewezen.