Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 9 augustus 2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:2320
Feiten
Werknemer is in dienst van GVB Exploitatie B.V. (hierna: GVB) in de functie van personenvervoerder metro. Werknemer is sinds 29 augustus 2015 (deels) arbeidsongeschikt. Op 15 december 2015 is werknemer betrokken geweest bij een metro-ongeval, waarna hij zich (opnieuw) ziek heeft gemeld met klachten van psychische aard. In 2018 is aan werknemer een WIA-uitkering toegekend, behorende bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 73,97%. Op de werkzaamheden van werknemer is de Wet lokaal spoor (hierna: WLS) van toepassing. In zijn advies van 26 november 2018 heeft de bedrijfsarts vermeld dat hij geen uitspraak kan doen over de veiligheidsgeschiktheid van werknemer. De bedrijfsarts heeft op 2019 geschreven “er zijn geen medische belemmeringen voor de re-integratie in eigen werk, de WLS-keuring kan dus aangevraagd worden”. GVB heeft werknemer vier keer verzocht om een WLS-keuring te ondergaan, hetgeen werknemer steeds heeft geweigerd. De verzoeken heeft GVB gedaan in mei 2018, januari 2019, 10 maart 2019 en 25 maart 2019. GVB heeft per 11 maart 2019 een loonstop toegepast en deze met ingang van 5 februari 2020 weer opgeheven. In het deskundigenoordeel van 28 mei 2019 is geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen van GVB onvoldoende waren. Bij brief van 29 maart 2019 heeft GVB werknemer met onmiddellijke ingang geschorst, welke schorsing inmiddels is opgeheven. De kantonrechter heeft op 11 mei 2020 het ontbindingsverzoek van GVB afgewezen. In eerste aanleg heeft de kantonrechter de verklaring voor recht van werknemer dat GVB ten onrechte vanaf 11 maart 2019 een loonstop heeft toegepast afgewezen.
Oordeel
Het hof overweegt dat GVB op grond van de WLS het recht had om van werknemer te verlangen dat hij zou meewerken aan een WLS-keuring. Werknemer was immers voor het laatst in juli 2015 gekeurd, was sinds augustus 2015 deels arbeidsongeschikt, en vanaf december 2015 nadat hem een ongeval was overkomen volledig arbeidsongeschikt met klachten van psychische aard. De eis dat werknemer zou meewerken aan een dergelijke keuring acht het hof een redelijk voorschrift, dat erop gericht was om werknemer te laten re-integreren. Indien werknemer van mening was geweest dat hij medisch gezien niet in staat was om de WLS-keuring te ondergaan, had hij hierover een deskundigenoordeel kunnen aanvragen naar aanleiding van de rapportage van 21 februari 2019, hetgeen hij niet heeft gedaan. In het deskundigenoordeel van 28 mei 2019 is expliciet opgenomen dat de arbeidsdeskundige geen uitspraak doet over de vraag of werknemer al dan niet de WLS-keuring moet doen, omdat dit buiten de Wet verbetering poortwachter valt. Werknemer heeft uit dit deskundigenoordeel daarom niet kunnen en mogen begrijpen dat hij terecht weigerde de WLS-keuring te ondergaan. De arbeidsdeskundige oordeelt voorts dat sprake is van een arbeidsconflict dat eerst opgelost moet worden. Het hof gaat er daarom van uit dat het standpunt van GVB dat werknemer de WLS-keuring moest ondergaan, terecht was zodat GVB op goede gronden het loon heeft opgeschort zolang werknemer weigerde die keuring te ondergaan. Ten aanzien van de periode 27 december 2018 tot en met 10 maart 2019 overweegt het hof dat werknemer zich op 25 december 2018 heeft ziek gemeld en dat deze ziekmelding niet is geaccepteerd door GVB. GVB heeft gesteld dat werknemer, in plaats van zich ziek te melden, een deskundigenoordeel had moeten vragen met betrekking tot de door de bedrijfsarts geadviseerde opbouw. Het hof deelt deze mening niet en is daarentegen van oordeel dat GVB een deskundigenoordeel had kunnen en moeten vragen met betrekking tot de vraag of werknemer zich terecht had ziek gemeld per 25 december 2018, hetgeen zij niet heeft gedaan. Daarom heeft werknemer gedurende deze periode recht op loon. Het hof is met GVB van oordeel dat op deze loonaanspraak in mindering strekt hetgeen werknemer over deze periode uit hoofde van de WIA heeft ontvangen.