Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 10 augustus 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:3778
Werknemer die zonder bevoegdheid sleutels en kentekenbewijzen van vijf voertuigen uit handelsvoorraad werkgeefster aan andere onbevoegde afgeeft en een Rolls Royce inruilt voor een Jaguar en die op eigen naam zet, handelt onrechtmatig jegens werkgeefster. Afwijzing loonvordering.

Feiten

Werknemer is per 1 januari 2014 voor 20 uur per week in dienst getreden bij werkgeefster als administratief medewerker. Werkgeefster houdt zich bezig met de handel in en reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s. In maart 2015 is de eigenaar van werkgeefster overleden. Kort na dit overlijden heeft werknemer autosleutels en kentekenbewijzen van een aantal voertuigen die tot de handelsvoorraad van werkgeefster behoorden, uit de kluis gehaald die zich in de woning van de overleden eigenaar bevonden en afgegeven aan de vader van de eigenaar. Werknemer is vervolgens samen met de vader van de eigenaar naar een autohandelaar gegaan om een Rolls Royce uit de handelsvoorraad van werkgeefster om te ruilen voor een Jaguar en deze Jaguar is op zijn naam gezet. De vader van de eigenaar is in november 2016 veroordeeld voor diefstal van een vijftal voertuigen en voor witwassen. Ook tegen werknemer is aangifte gedaan, maar het OM heeft besloten hem niet te vervolgen, omdat zijn aandeel in de kwestie gering is geweest. Werknemer heeft werkgeefster bij brieven van 4 mei 2016 en 13 april 2017 gesommeerd zijn salaris vanaf januari 2015 aan hem over te maken. Werkgeefster heeft geen gehoor gegeven aan deze sommaties. Werknemer vordert thans veroordeling van werkgeefster tot (door)betaling van loon vanaf 1 januari 2015. Werkgeefster vordert in reconventie onder meer een verklaring voor recht dat werknemer jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld als gevolg waarvan hij aansprakelijk is voor de schade die werkgeefster heeft geleden, lijdt en zal lijden.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Loonvordering (beoordeling in conventie)

Allereerst kan er van worden uitgegaan dat tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Uit de stelling van werkgeefster dat werknemer na 1 april 2015 geen werkzaamheden meer voor haar heeft verricht en zichzelf na 1 juni 2015 geen salaris meer heeft uitbetaald (het was gebruikelijk dat hij dit zelf deed), kan niet de conclusie worden getrokken dat werknemer de arbeidsovereenkomst eenzijdig heeft opgezegd. Hiervoor dient sprake te zijn van een ondubbelzinnige en duidelijke wilsuiting van de werknemer die is gericht op de definitieve beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Van een dergelijke wilsuiting is niet gebleken, zodat de arbeidsovereenkomst onverminderd voortduurt. In de periode tot 1 juli 2015 heeft werknemer nog werkzaamheden verricht. Er zijn echter ook wel degelijk salarisbetalingen aan werknemer gedaan. Nu werknemer zijn eigen salaris uitbetaalde en tot 1 juli 2015 de administratie van werkgeefster deed, lag het op zijn weg om zijn stelling dat hij vanaf 1 januari 2015 tot 1 juli 2015 geen salaris van werkgeefster heeft ontvangen nader te onderbouwen. Dit heeft hij niet gedaan, zodat de loonvordering ziend op die periode wordt afgewezen. Voor wat betreft de periode vanaf 1 juli 2015 oordeelt de kantonrechter dat werknemer hooguit nog incidentele werkzaamheden voor werkgeefster heeft verricht. Naar het oordeel van de kantonrechter ligt dit in beginsel in de risicosfeer van werkgeefster (art. 7:628 (oud) BW). Niet is gebleken dat werknemer na die datum niet meer bereid was om werkzaamheden voor werkgeefster te verrichten. De kantonrechter is echter van oordeel dat toewijzing van de loonvordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat werknemer zich vanaf april 2015 intensief met een zusteronderneming van werkgeefster heeft beziggehouden en dat hij zichzelf vanaf die datum een jaar lang managementvergoedingen van € 2500 per maand heeft toegekend, hoewel hij volgens de statuten onbezoldigd bestuurder was. De kantonrechter gaat ervan uit dat werknemer met deze inkomsten in ieder geval tot en met april 2016 ruimschoots is gecompenseerd voor het feit dat hij zijn salaris voor werkgeefster na 1 juni 2015 niet meer aan zichzelf heeft uitbetaald. Verder staat voldoende vast dat na het overlijden van de eigenaar van werkgeefster geen/nauwelijks meer activiteiten in werkgeefster hebben plaatsgevonden. De kantonrechter weegt ten slotte mee dat de periode waarop de loonvordering betrekking heeft mede door toedoen van werknemer enorm is opgelopen doordat hij werkgeefster pas in mei 2016 voor het eerst een sommatie heeft gestuurd en vervolgens tot april 2017 heeft gewacht met het uitbrengen van een tweede sommatie. De procedure is pas in april 2021 aangebracht voor voortzetting. Aan werkgeefster kan weliswaar worden tegengeworpen dat de arbeidsovereenkomst niet correct is afgewikkeld, maar dit kan gelet op voornoemde omstandigheden niet afdoen aan de onaanvaardbaarheid van de loonvordering. De gehele loonvordering wordt dan ook afgewezen.

Onrechtmatig handelen en aansprakelijkheid werknemer (beoordeling in reconventie)

De kantonrechter verklaart voor recht dat werknemer onrechtmatig jegens werkgeefster heeft gehandeld door kort na het overlijden van de eigenaar de sleutels en kentekenbewijzen van vijf voertuigen uit de handelsvoorraad van werkgeefster aan de vader van de eigenaar af te geven en door een van de voertuigen, een Rolls Royce, bij een autohandelaar in te ruilen tegen een Jaguar en deze Jaguar op zijn eigen naam te laten zetten. Ook wordt voor recht verklaard dat werknemer aansprakelijk is voor de schade die werkgeefster als gevolg hiervan heeft geleden, lijdt en zal lijden. De vordering tot schadevergoeding wordt echter als onvoldoende onderbouwd afgewezen.