Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 6 september 2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:2623
Feiten
Werkneemster is op 14 maart 2013 in dienst getreden bij Havas. Het dak van het gebouw waar het kantoor van Havas c.s. was gevestigd werd ondersteund door een metalen constructie, die bestond uit wit gespoten metalen balken. De onderste balken van deze constructie hingen op ongeveer anderhalve meter hoogte boven de werkvloer. Op 16 mei 2013 heeft werkneemster haar hoofd tegen de onderste metalen balk gestoten. Collega’s hebben haar naar het OLGV gebracht, waar een CT-scan van de hersenen is gemaakt. Daarbij is vastgesteld dat zij een commotio cerebri without abnormalities had opgelopen. Zij heeft het advies gekregen gedurende twee tot drie weken te revalideren. In de periode daarna ontwikkelde werkneemster toenemende klachten. Zij heeft zich ziek gemeld en haar werkzaamheden niet hervat. Na afloop van de arbeidsovereenkomst is haar een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend. Bij het bestreden tussenvonnis van 18 januari 2018 heeft de kantonrechter geoordeeld dat Havas c.s. zijn tekortgeschoten in hun plicht om als werkgever te zorgen voor een veilige werkomgeving. Bij eindvonnis van 13 februari 2020 heeft de kantonrechter de vorderingen van werkneemster afgewezen. Daartoe heeft de kantonrechter, kort gezegd, overwogen dat hij er niet van overtuigd is geraakt dat alle klachten van werkneemster een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten vormen. Van de klachten die dat wel zijn, staat niet vast dat zij zonder meer door het ongeval verklaard kunnen worden. Werkneemster komt op tegen deze beslissingen.
Oordeel
Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat Havas c.s. dienen te bewijzen dat zij hebben gedaan wat redelijkerwijs nodig was om te voorkomen dat medewerkers onder de stalen balk in de kantoorruimte zouden doorlopen en zich daaraan zouden stoten. Door dit bewijs te verlangen is niet, zoals door Havas c.s. betoogd, een risicoaansprakelijkheid van de werkgever aangenomen. De in artikel 7:658 lid 1 BW bedoelde zorgplicht leidt ertoe dat de werkgever niet alleen verplicht is om aanwijzingen te verstrekken om zo veel mogelijk te voorkomen dat de werknemer schade lijdt, maar ook de daartoe geëigende veiligheidsmaatregelen dient te treffen. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de situatie met de laaghangende dakconstructie het risico met zich bracht dat men zich daaraan zou stoten. Havas c.s. hebben niet voldoende adequate maatregelen getroffen om dit risico te voorkomen. Bovendien oordeelt het hof dat voor zover in de huurovereenkomst zou zijn bepaald dat het verboden is iets aan de balken te hangen, dit de werkgever niet ontslaat van zijn verplichting om voor een veilige werkomgeving te zorgen. Zouden de bepalingen van de huurovereenkomst hem dat onmogelijk maken, dan ligt het op de weg van de werkgever om zijn werknemers in een andere ruimte te werk te stellen. De stelling van Havas c.s. dat zij herhaald en voldoende indringend hebben gewaarschuwd voor het gevaar, is niet vast komen te staan. Concluderend waren er mogelijkheden om maatregelen te nemen om een ongeval zoals het onderhavige te voorkomen en is niet gebleken dat die maatregelen van Havas c.s. redelijkerwijs niet konden worden gevergd. Niet is bewezen dat voldoende indringend voor het risico is gewaarschuwd.
Causaal verband
Het hof overweegt dat ook bij niet of moeilijk objectiveerbare klachten onder omstandigheden een causaal verband met het ongeval kan worden vastgesteld. Daarvoor is nodig dat sprake is van een plausibel, consistent en consequent samenhangend klachtenpatroon, maar ook dat die klachten door het ongeval verklaard kunnen worden en dat zij voor het ongeval niet bestonden. De kantonrechter heeft ter beoordeling van de gestelde klachten en het causaal verband een deskundige benoemd. Op grond van het rapport van de deskundige is het hof van oordeel dat ten aanzien van de voortdurende klachten niet aan dat criterium is voldaan. De door werkneemster gestelde klachten kunnen ook niet door het ongeval verklaard worden, terwijl veel daarvan wel kunnen worden verklaard uit de voor het ongeval reeds aanwezige migraine. De klachten zijn bovendien wisselend van aard en zijn niet steeds objectief vastgesteld. Dit neemt niet weg dat het hof aannemelijk acht dat werkneemster kort na het ongeval klachten had die aan het ongeval zijn toe te schrijven. Dit brengt mee dat de mogelijkheid dat werkneemster als gevolg van het ongeval schade heeft geleden in de vorm van verlies van verdienvermogen weliswaar aanwezig is, maar niet aannemelijk is gemaakt dat zij daadwerkelijk in zoverre als gevolg daarvan schade heeft geleden. Werkneemster wordt wel toegelaten zich bij akte uit te laten over de door haar geleden schade, zoals de kosten voor het bezoek aan de SEH.