Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 21 september 2022
ECLI:NL:RBGEL:2022:5321
Feiten
Werkneemster is vanaf 2010 in dienst bij werkgeefster in de functie van inpakster. Werkgeefster betaalt overuren uit of werknemers krijgen daar tijd-voor-tijduren. voor. Per brief van 19 maart 2020 heeft werkgeefster haar werknemers meegedeeld dat vanwege de coronacrisis de uren die werknemers minder werkten, zouden worden afgeschreven op de nog openstaande tijd-voor-tijd-uren. Bij werkneemster zijn 24 uren in mindering gebracht op haar saldo tijd-voor-tijd-uren. Sinds april 2020 heeft werkgeefster gebruikgemaakt van de Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid. Aan werknemers is doorgegeven dat het loon voor 100% zou worden uitbetaald en aan hen is gevraagd of zij hun positieve saldo tijd-voor-tijd-uren wilden opmaken. Op 6 april 2020 en 20 mei 2020 heeft de FNV namens haar leden een brief aan werkgeefster gestuurd waarin werd verzocht om de bij de werknemers in april en mei 2020 afgeboekte uren terug te boeken. Werkgeefster heeft op dit verzoek niet gereageerd. Werkneemster verzoekt onder meer werkgeefster te veroordelen tot het terugboeken van 24 uur als zijnde nog te genieten tijd-voor-tijd-uren. Volgens werkneemster was er geen reden de niet gewerkte uren van het tijd-voor-tijd-saldo af te boeken tijdens de coronacrisis. Het afboeken van de uren is volgens werkneemster niet alleen in strijd met de Cao voor het slagersbedrijf maar ook in strijd met artikel 7:628 BW. Werkgeefster concludeert tot niet-ontvankelijkheid van werkneemster dan wel tot afwijzing van de vorderingen.
Oordeel
De kantonrechter beoordeelt de vraag of werkgeefster bevoegd was tijdens en als gevolg van de coronacrisis de niet gewerkte uren op het tijd voor tijd saldo in mindering te brengen. Volgens de kantonrechter is het niet kunnen werken als gevolg van de coronacrisis geen omstandigheid die in het kader van artikel 7:628 BW in redelijkheid voor de werknemer behoort te komen. Een beroep op artikel 6:258 BW (onvoorzienbare omstandigheden) komt werkgeefster niet toe. Het risico van het verminderde werkaanbod wordt door werkgeefster in feite bij werkneemster neergelegd door de niet gewerkte uren af te boeken op haar tijd-voor-tijd-saldo. In de Cao voor het slagersbedrijf en/of de wet is geen basis voor de registratie van minuren tijdens de coronacrisis. Het standpunt van werkgeefster dat geen enkele werknemer heeft geprotesteerd tegen het voorgestelde systeem van het registreren van minuren en zo mogelijk afboeken daarvan op het tijd-voor-tijd-saldo slaagt niet. Als werkgeefster instemming had willen hebben, dan had zij dat expliciet aan iedere werknemer moeten vragen. Werkgeefster had daarom tijdens de coronacrisis niet de minuren van werkneemster van de tijd-voor-tijd-uren mogen afboeken. Werkgeefster moet 24 uur als zijnde nog te genieten tijd-voor-tijd-uren van werkneemster terugboeken.