Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 21 september 2022
ECLI:NL:RBGEL:2022:5320
Werkgeefster is niet bevoegd om tijdens de coronacrisis de niet gewerkte uren in mindering te brengen op het tijd-voor-tijd-saldo van werkneemster. Terugboeken tijd-voor-tijd-uren. Correctie geregistreerde uren.

Feiten 

Werknemer is vanaf 2007 in dienst bij werkgeefster in de functie van vleesbewerker. Werkgeefster betaalt overuren uit of werknemers krijgen daar tijd-voor-tijd-uren voor. Per brief van 19 maart 2020 heeft werkgeefster haar werknemers meegedeeld dat vanwege de coronacrisis de uren die werknemers minder werkten, zouden worden afgeschreven op de nog openstaande tijd-voor-tijd-uren. Bij werknemer zijn 110,50  uren in mindering gebracht op zijn saldo tijd-voor-tijd-uren. Sinds april 2020 heeft werkgeefster gebruikgemaakt van de Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid. Aan werknemers is doorgegeven dat het loon voor 100% zou worden uitbetaald en aan hen is gevraagd of zij hun positieve saldo tijd-voor-tijd-uren wilden opmaken. Op 6 april 2020 en 20 mei 2020 heeft de FNV namens haar leden een brief aan werkgeefster gestuurd waarin werd verzocht om de bij de werknemers in april en mei 2020 afgeboekte uren terug te boeken. Werkgeefster heeft op dit verzoek niet gereageerd. Werknemer verzoekt onder meer werkgeefster te veroordelen tot het terugboeken van 288,50 uur als zijnde nog te genieten tijd-voor-tijd-uren. Volgens werknemer was er geen reden de niet gewerkte uren van het tijd-voor-tijd-saldo af te boeken tijdens de coronacrisis. Het afboeken van de uren is volgens werknemer niet alleen in strijd met de Cao voor het slagersbedrijf maar ook in strijd met artikel 7:628 BW. Werkgeefster concludeert tot niet-ontvankelijkheid van werknemer dan wel tot afwijzing van de vorderingen. 

Oordeel 

De kantonrechter beoordeelt het door werkgeefster gehanteerde systeem van het schrijven van minuren. De Cao voor het slagersbedrijf kent alleen een regeling voor overwerk maar niet voor minuren. Dat betekent dat het door werkgeefster gehanteerde systeem van het afboeken van minuren op het  tijd-voor-tijd-saldo geen grondslag heeft in de cao en niet is toegestaan. Er dient dan ook een correctie plaats te vinden van de ten aanzien van (een deel van) werknemer geregistreerde uren. Dat geldt ook voor de minuren die tijdens de coronacrisis zijn opgebouwd. Volgens de kantonrechter is het niet kunnen werken als gevolg van de coronacrisis geen omstandigheid die in het kader van artikel 7:628 BW in redelijkheid voor de werknemer behoort te komen. Een beroep op artikel 6:258 BW (onvoorzienbare omstandigheden) komt werkgeefster niet toe. Het risico van het verminderde werkaanbod wordt door werkgeefster in feite bij werknemer neergelegd door de niet gewerkte uren af te boeken op zijn tijd-voor-tijd-saldo. Het standpunt van werkgeefster dat geen enkele werknemer heeft geprotesteerd tegen het voorgestelde systeem van het registreren van minuren en zo mogelijk afboeken daarvan op het  tijd-voor-tijd-saldo slaagt niet. Als werkgeefster instemming had willen hebben, dan had zij dat expliciet aan iedere werknemer moeten vragen. Werkgeefster heeft zowel voor als tijdens de coronacrisis ten onrechte minuren van werknemer afgeboekt voor zover werknemer geen werkzaamheden heeft verricht. Werknemer vordert terugboeking van 288,50 uren en stelt dat er bij hem in 2020 110,50 uren in mindering zijn gebracht op zijn  tijd-voor-tijd-saldo. Aan werknemer wordt de gelegenheid geboden om een volledig overzicht van de afgelopen vijf jaren over te leggen waaruit precies kan worden opgemaakt in welke periode hij hoeveel minuren heeft gemaakt en wat de reden daarvan was.