Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 9 september 2022
ECLI:NL:RBROT:2022:7656
Tussenvonnis. Bewijsopdracht werkneemster dat zij elke werkdag structureel 15 minuten langer werkte dan dat zij uitbetaald kreeg.

Feiten 

Werkneemster heeft vanaf 10 november 1994 tot en met 28 december 2019 als  kassière voor werkgever gewerkt op basis van een arbeidsovereenkomst. Werkneemster vordert onder meer  de betaling van achterstallig loon over de periode 2015 tot en met 2019 omdat zij elke werkdag 15 minuten langer zou hebben gewerkt dan zij uitbetaald kreeg.  

Oordeel 

Werkneemster heeft uitgebreide overzichten overgelegd, waaruit volgt dat zij doorgaans één of enkele minuten voor of na het einde van haar shift uitcheckte bij haar kassa. Er is geen discussie over dat werkneemster na dit uitchecken in ieder geval nog haar geldlade naar het kassakantoor moest brengen en deze moest tellen. De kern van het geschil is wanneer de werkdag van werkneemster begon, of werkneemster voorafgaand aan het tellen nog andere werkzaamheden moest verrichten en hoeveel tijd het geldtelproces kostte. Werkneemster stelt dat haar werktijd in de praktijk al vijf minuten voor de start van haar shift begon. Zij heeft dit onderbouwd door middel van een uitgebreid overzicht van de inchecktijden van haar kassa. Daaruit volgt dat zij, op een enkele uitzondering na, enkele minuten voor haar shift incheckte. Werkneemster heeft aangevoerd dat zij daartoe verplicht was, omdat ze die tijd nodig had om de kassa op orde te krijgen, voordat de eerste klanten arriveerden. Werkgever stelt dat dit een vrijwillige keuze van werkneemster was en dat hiervoor geen noodzaak bestond. De kantonrechter overweegt dat werkgever dat standpunt verder had moeten onderbouwen. Dat werkneemster de kassa en de winkel in zijn algemeenheid op orde moest brengen, acht de kantonrechter namelijk aannemelijk, aangezien de eerste klanten zich kort na de openingstijd van de winkel al kunnen melden. Het is echter niet vast te stellen dat werkneemster hiervoor gemiddeld vijf minuten nodig had. Deze stelling is namelijk slechts gebaseerd op verklaringen van werkneemster. Werkneemster heeft bewijs aangeboden van al haar stellingen en wordt daarom in gelegenheid gesteld om bewijs te leveren op dit punt. Werkneemster stelt verder dat zij aan het einde van haar shift, na het uitchecken bij haar kassa, vaak nog aanvullende werkzaamheden moest verrichten, voordat zij geld kon/mocht gaan tellen. Werkneemster heeft toegelicht dat wanneer zij zich voor het einde van de shift bij het kassakantoor meldde, zij werd teruggestuurd de winkel in, om deze werkzaamheden uit te voeren. Werkgever betwist dit. Op dit moment staat niet vast dat werkneemster na het uitchecken bij de kassa structureel nog aanvullende werkzaamheden moest verrichten, aangezien ook deze stelling slechts is gebaseerd op verklaringen van werkneemster. Werkneemster wordt daarom in gelegenheid gesteld om ook op dit punt bewijs te leveren. Ten aanzien van de duur van het geldtelproces overweegt de kantonrechter het volgende. Werkneemster heeft onbetwist gesteld dat de telwerkzaamheden bestonden uit het tellen van het geld, het stoppen van bepaalde bonnen en cheques in enveloppen, het opplakken van afstortbonnen en het noteren van gegevens. Zij heeft gesteld dat dit proces circa tien minuten in beslag nam, mede omdat zij vaak ook nog moest wachten op andere collega’s die tegelijkertijd hun kassalade wilden tellen. Werkgever betwist het voorgaande en stelt dat dit proces slechts enkele minuten in beslag neemt voor een ervaren kassière als werkneemster, dat slechts incidenteel sprake was van een wachttijd en dat werkneemster dit daarom binnen haar roostertijd kon afronden. De kantonrechter overweegt dat gezien het feit dat werkneemster op zijn vroegst slechts één of enkele minuten voor het einde van haar shift uitcheckte bij haar kassa, en gezien de onbetwiste omvang van de het kassatelproces, het aannemelijk is dat werkneemster deze werkzaamheden doorgaans niet volledig kon afronden voor het einde van haar shift. Het is echter niet vast te stellen hoeveel extra tijd dit kostte en evenmin in hoeverre werkneemster daarbij vaak op collega’s moest wachten. Ook op dit punt wordt werkneemster daarom toegelaten tot bewijslevering. Kortom, de kantonrechter acht het aannemelijk dat werkneemster langer werkte dan de ingeroosterde tijd, maar de omvang van dit overwerk is niet vast te stellen. Werkneemster wordt daarom toegelaten tot het leveren van bewijs van haar stelling dat zij in de jaren 2015 tot en met 2019 structureel 15 minuten langer werkte dan de ingeroosterde tijd. Om te slagen in deze bewijsopdracht dient zij feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat zij verplicht was om gemiddeld vijf minuten voor aanvang van haar shift te starten met haar werkzaamheden; dat zij aan het einde van haar werkdag structureel aanvullende werkzaamheden moest verrichten in de winkel, voordat zij aan het geldtelproces kon beginnen; dat het geldtelproces, mede door het wachten op collega’s, gemiddeld circa tien minuten in beslag nam.