Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Aluminium & Chemie Rotterdam B.V. - Achmea Schadeverzekering N.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 16 september 2022
ECLI:NL:RBROT:2022:8725
Tussentijds hoger beroep toegestaan van een beschikking in een deelgeschilprocedure ex artikel 1019w e.v. Rv.

Feiten

Werknemer is van 23 juli 1984 tot en met 30 april 2013 als A-operator in dienst geweest van Aluminium & Chemie Rotterdam B.V. (hierna: Aluchemie). Op 23 augustus 2021 heeft werknemer bij de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w e.v. Rv aanhangig gemaakt. In die procedure heeft werknemer verzocht bij beschikking te verklaren dat de vordering van werknemer uit hoofde van zijn beroepsziekte ex artikel 7:658 BW niet is verjaard dan wel dat het door Achmea gedane beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gehonoreerd, met begroting van de kosten van het deelgeschil op € 2.989. Bij beschikking d.d. 15 december 2021 heeft de kantonrechter het (primaire) verzoek van werknemer toegewezen en voor recht verklaard dat de vordering uit hoofde van artikel 7:658 BW niet is verjaard en daarbij de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv begroot op € 2.989 (inclusief btw). In de bodemprocedure heeft werknemer gevorderd bij vonnis voor recht te verklaren dat Aluchemie ex artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade van werknemer als gevolg van de in de uitvoering van de werkzaamheden ontstane gezondheidsschade. Aluchemie en Achmea hebben verzocht aan hen verlof te verlenen om tussentijds hoger beroep te kunnen instellen tegen voormelde beschikking van 15 december 2021 en om de onderhavige bodemprocedure hangende het tussentijds hoger beroep aan te houden.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. In artikel 1019cc lid 3 sub a Rv is bepaald dat voor zover in de beschikking op een geschilpunt tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding is beslist, daarvan in de procedure ten principale hoger beroep kan worden ingesteld als van een tussenvonnis ofwel binnen drie maanden, te rekenen vanaf de eerste roldatum ofwel, indien de uitspraak om tussentijds appèl open te stellen nadien is gedaan, binnen drie maanden, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak, met dien verstande dat de appellant, binnen de grenzen van artikel 332 Rv, in het hoger beroep slechts ontvankelijk zal zijn, indien de rechter in eerste aanleg deze mogelijkheid heeft geopend op een daartoe binnen dezelfde termijn door één der partijen gedaan verzoek, waarover de wederpartij is gehoord. In de memorie van toelichting bij de Wet deelgeschilprocedure (Kamerstukken II, 31518, nr. 3, p. 22) is vermeld dat aan de mogelijkheid van hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking, voordat eindvonnis in de bodemprocedure is gewezen, behoefte kan bestaan als de beschikking een cruciale kwestie betreft die in feite bepalend is voor de afloop van de zaak. Naar het oordeel van de kantonrechter is in de onderhavige situatie aan dit criterium voldaan. De vraag of de vordering van werknemer uit hoofde van artikel 7:658 BW al dan niet is verjaard, is immers mede bepalend voor de afloop van de zaak. Nu de kantonrechter in de bodemprocedure in beginsel gebonden is aan de in het deelgeschil gegeven beslissing, moet het doelmatig worden geacht dat over die beslissing, waarmee Aluchemie en Achmea zich niet kunnen verenigen, eerst in hoger beroep een oordeel zal worden gegeven, waartegen werknemer zich overigens ook niet heeft verzet. Het verzoek van Aluchemie en Achmea wordt toegewezen.