Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/de Staat der Nederlanden
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 14 april 2021
ECLI:NL:RBDHA:2021:17135
Benoeming deskundige om vast te stellen of ontslag op staande voet van werknemer, die heeft gelogen over het hebben van een ernstige ziekte, terecht is.

Feiten

Werknemer is in 1978 in dienst getreden bij de Staatsdrukkerij. Op 1 augustus 2004 is werknemer in dienst getreden bij de Staat der Nederlanden. Werknemer is diabetespatiënt. Vanaf oktober 2019 is werknemer gedurende korte periodes arbeidsongeschikt geweest. Hij heeft zijn leidinggevende en zijn collega’s toen verteld dat hij lijdt aan een zeer ernstige ziekte, alvleesklierkanker. Werknemer hield zijn leidinggevende per e-mail of whatsappbericht op de hoogte. Zijn leidinggevenden reageren op deze berichten steeds meelevend. Werknemer is vanaf 2006 lid van de ondernemingsraad (OR) en maakt deel uit van diverse commissies. Hij is ook voorgedragen als lid van de departementale ondernemingsraad (DOR). Hij besteedde gedurende langere tijd ongeveer 3,5 dag per week aan werk voor de ondernemingsraad. Vanaf 2019 is deze tijdsbesteding onderwerp van gesprek geweest tussen werknemer en zijn opvolgende leidinggevenden. Op 26 oktober 2020 meldt werknemer aan zijn leidinggevende dat hij zich prima voelt en dat hij verzoekt om hem met ingang van 26 oktober voor 100% beter te melden. Op 10 november 2020 vindt een telefonisch gesprek tussen de bedrijfsarts en werknemer plaats. In het advies schrijft de bedrijfsarts onder meer dat werknemer onjuiste informatie heeft verstrekt over de diagnose en behandeling. Er is aldus geen sprake van ziekte of gebrek, waardoor werknemer met terugwerkende kracht medisch gezien belastbaar is in het eigen werk. Bij brief van 11 november 2020 heeft werkgever werknemer geschorst. Op 12 november 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen werknemer, vergezeld door zijn gemachtigde, en zijn leidinggevende, een personeelsadviseur en de gemachtigde van werkgever om werknemer in de gelegenheid te stellen zijn toelichting te geven op het gebeuren rond zijn ziekmelding. Op aanraden van zijn gemachtigde heeft werknemer geen toelichting gegeven. Bij brief van 12 november 2020 heeft werkgever werknemer op staande voet ontslagen op grond van de dringende reden dat werknemer herhaaldelijk onjuiste informatie heeft verstrekt over (de diagnose van) zijn ziekte en behandeling, aan de bedrijfsarts, leidinggevende(n) en collega(’s). Op 23 november 2020 heeft werknemer een deskundigenoordeel bij het UWV gevraagd over zijn arbeidsongeschiktheid per 20 juli 2020. De bedrijfsarts, heeft op verzoek van werkgever de medische stukken van de bedrijfsarts, PsyQ, de verzekeringsarts van het UWV beoordeeld. Zijn beoordeling en conclusie d.d. 17 februari 2021 is onder meer dat pas na het ontslag van 12 november 2020 de psychische klachten zijn toegenomen en er professionele hulp is gezocht alsmede dat het werknemer wel was aan te rekenen dat hij maandenlang heeft gelogen over zijn ziekte. Werknemer verzoekt primair onder meer vernietiging van het ontslag op staande voet. Werkgever verzoekt onder meer voorwaardelijk ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Oordeel

Uit de ontslagbrief blijkt duidelijk dat de werkgever als dringende reden heeft aangemerkt dat ‘de werknemer herhaaldelijk onjuiste informatie heeft verstrekt over (de diagnose van) zijn ziekte en behandeling, aan de bedrijfsarts, leidinggevende(n) en collega(’s)’. Dat hiervan sprake is geweest staat op zich vast. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden acht de kantonrechter van belang wat de duur van (huidige) ziekte van werknemer is en of en zo ja, in hoeverre deze ziekte invloed heeft gehad op het door hem doen van onjuiste mededelingen over zijn ziekte. De kantonrechter acht zich op dit moment daarover nog onvoldoende voorgelicht. Beide partijen hebben verklaringen van medici overgelegd, maar dit leidt niet tot een eenduidig beeld. Nadat de kantonrechter partijen daarover bij de mondelinge behandeling heeft geïnformeerd, hebben partijen zich beraden over het voornemen van de kantonrechter om een deskundige te benoemen die de vragen van de kantonrechter dient te beantwoorden. Partijen hebben zich beiden uitgelaten over het voornemen van de kantonrechter om een deskundige te benoemen. Zij hebben aan de kantonrechter laten weten dat zij instemmen met het benoemen van mevrouw dr. X, psychiater bij WPEX, tot deskundige en dat de werkgever bereid is het voorschot voor de kosten van de deskundige te betalen. De kantonrechter zal, nu van bezwaar tegen de door partijen voorgestelde deskundige niet is gebleken, mevrouw dr. X, psychiater bij WPEX, tot deskundige benoemen. De kantonrechter acht de uitkomst van het onderzoek van de deskundige ook bepalend voor de beantwoording van de vraag of er grond is voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, mocht de kantonrechter aan de beoordeling van dit verzoek toekomen. Daarom zal ook hierover elke beslissing worden aangehouden.