Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 16 augustus 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:3277
Feiten
Werkneemster is van 1 mei 2020 tot 1 oktober 2021 in dienst van onderneming 1 (rechtsvoorganger van werkgeefster) in de functie van salesmanager. Werkneemster is per 1 oktober 2021 in dienst getreden bij werkgeefster. Op grond van de arbeidsovereenkomst kon werkneemster afhankelijk van de vooraf gestelde doelstellingen en voorwaarden jaarlijks een bonus behalen. Per brief van 20 maart 2020 aan werkneemster heeft werkgeefster de doelstellingen en voorwaarden vastgesteld waaraan moest zijn voldaan om vanaf dat moment voor een bonus in aanmerking te komen. In 2020 heeft werkneemster hier niet aan voldaan. Per brief van 19 januari 2021 aan werkneemster zijn de doelstellingen en voorwaarden vastgesteld waaraan moet zijn voldaan om vanaf dat moment voor een bonus in aanmerking te komen. In deze brief is de regeling voor een individuele bonus en een teambonus vastgesteld. Op 15 maart 2021 is aan werkneemster schriftelijk medegedeeld dat haar arbeidsovereenkomst met een jaar wordt verlengd, tot en met 30 april 2022. Per brief van 8 april 2021 is een nieuwe bonusregeling vastgesteld. In het laatste half jaar van 2021 heeft werkgeefster aan werkneemster verschillende bonussen betaald voor het binnenhalen van klanten. Werkneemster is het niet eens met de hoogte van de bonus; volgens haar is niet de bonusbrief van april 2021, maar de bonusbrief van januari 2021 van toepassing en levert dit haar een (veel) hogere bonus op. Om te kunnen vaststellen in hoeverre werkneemster een loonvordering heeft op werkgeefster, vordert ze in deze procedure afgifte van verschillende bescheiden binnen 72 uur, waaronder overzichten uit het CMR-systeem.
Oordeel
Tijdens de mondelinge behandeling heeft werkneemster toegelicht dat haar vordering tot afgifte van bescheiden ten doel heeft om haar rechtspositie tegenover werkgeefster wegens niet-nakoming van de bonusregeling als vastgelegd in de brief van 19 januari 2021 te bepalen. Werkneemster stelt dat zij bij de afgifte van deze bescheiden een spoedeisend belang heeft, omdat het een loonvordering betreft. Werkgeefster heeft het spoedeisend belang gemotiveerd betwist. Weliswaar is sprake van een (mogelijke) loonvordering, maar niet is gebleken dat sprake is van spoed. Al in april 2021 is aan werkneemster de bonusbrief verstrekt. De uitbetaling door werkgeefster van de bonus van werkneemster conform deze brief van april 2021 heeft in kwartaal 3 en kwartaal 4 van 2021 plaatsgevonden. Hoewel de hoogte van de bonus sindsdien tussen partijen in geschil is, is werkneemster pas in juli 2022 overgegaan tot onderhavige procedure waarin om afgifte van bescheiden wordt verzocht. Niet valt in te zien waarom een bodemprocedure niet afgewacht zou kunnen worden. In het Nederlandse recht bestaat geen algemene exhibitieplicht in de zin dat partijen tegenover elkaar verplicht zijn en gedwongen kunnen worden tot het verschaffen van informatie en documenten. De hoofdregel is dat partijen onder hen rustende bescheiden niet aan andere partijen hoeven af te geven. Voor een geslaagd beroep op de uitzonderingsgrond van artikel 843a Rv gelden cumulatieve voorwaarden. De kantonrechter overweegt dat nog te veel onduidelijk is om te kunnen concluderen dat aan de voorwaarden voor toewijzing van een exhibitievordering is voldaan. Werkneemster heeft onvoldoende gemotiveerd welk belang zij op dit moment heeft bij afgifte van de bescheiden door werkgeefster, nu hiervoor duidelijk moet zijn wat de relevantie is van de gevraagde bescheiden met betrekking tot een bepaald feit waarop een mogelijke vordering rust. Voor de vraag of werkneemster een vordering heeft op werkgeefster, is van belang dat wordt vastgesteld welke bonusregeling van toepassing is; de bonusregeling van januari of april 2021. Uit de aard van de stukken volgt dat die stukken nodig zijn voor de vaststelling van de omvang van een eventuele vordering. Nu werkneemster reeds een grove berekening heeft kunnen maken van de bonus waar zij op grond van haar standpunt omtrent de geldende regeling recht op zou hebben, valt niet in te zien welk belang zij in dit stadium heeft bij de bescheiden. Daar komt bij dat werkneemster bij geen enkel onderdeel van haar vordering gemotiveerd heeft toegelicht waarvoor zij die specifieke bescheiden nodig heeft, terwijl het om concurrentiegevoelige gegevens gaat en werkneemster bij een concurrent werkzaam is. De vorderingen worden afgewezen.