Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 15 juni 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:4908
Feiten
StiPP is een op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000) verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds. Zij laat bij werkgevers controles op de naleving van de afdrachtplicht van pensioenpremies verrichten door de Stichting Naleving Cao voor Uitzendkrachten (SNCU), die op haar beurt daarvoor instanties als Providius en Normec inschakelt. Eiser c.s. vordert een verklaring voor recht dat hij jarenlang onverschuldigd pensioenpremie over de - door hem aan werknemers betaalde - ORT aan StiPP heeft betaald, dan wel dat StiPP door deze te veel betaalde pensioenpremie ongerechtvaardigd is verrijkt, dan wel dat StiPP met haar handelwijze een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens hem en vordert een bedrag van € 204.040,97. StiPP stelt zich op het standpunt dat zij niet gehouden is tot restitutie van de door eiser c.s. betaalde premies over te gaan. Eiser c.s. heeft na het tussenvonnis van 1 december 2021 (hierna: het tussenvonnis) een akte onderbouwing schade ingediend, waarna StiPP een antwoordakte onderbouwing schade, met producties, heeft ingediend. Eisers c.s. heeft vervolgens een akte reactie op antwoordakte onderbouwing schade ingediend en StiPP een antwoordakte uitlaten producties.
Oordeel
Eiser c.s. is in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zijn vordering over de periode 2012 tot en met 2018 nader te onderbouwen. Eiser c.s. heeft naar aanleiding hiervan een berekening van zijn vordering in het geding gebracht, uitgesplitst per jaar en per vennootschap. Hij heeft deze specificatie onderbouwd door middel van een excelbestand dat de Periodieke Loonopgave Pensioenfonds StiPP over de betreffende jaren bevat. StiPP heeft in haar antwoordakte onderbouwing schade een aantal bezwaren tegen de onderbouwing van eiser c.s. geuit.
Jaren 2018 en 2019
StiPP stelt zich op het standpunt dat het jaar 2018 ten onrechte in de berekening van de betaalde ORT is meegenomen en dat dit verband houdt met een kennelijke verschrijving in het tussenvonnis. StiPP stelt dat de kantonrechter in het tussenvonnis heeft overwogen dat eiser c.s. zich er vanaf eind december 2017 niet meer op kan beroepen dat hij niet wist dat hij geen pensioenpremie over de ORT hoefde af te dragen omdat dit hem toen redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn. De kantonrechter volgt StiPP hierin niet. In het tussenvonnis is inderdaad overwogen dat het eisers c.s. vanaf januari 2018 redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat er geen verplichting was om premie over de ORT af te dragen. Deze formulering was niet geheel correct, omdat voor de aanvang van de verjaringstermijn van artikel 3:309 BW daadwerkelijke bekendheid met de vordering en schuldenaar is vereist. Eiser c.s. heeft voldoende onderbouwd dat hij in 2018 de premie over de ORT is blijven doorbetalen omdat hij eerst nog meer duidelijkheid van PGGM dan wel StiPP over deze kwestie wilde krijgen. Er is daarom geen aanleiding voor een correctie over het jaar 2018. Ook kan de kantonrechter op basis van de door eiser c.s. verstrekte onderbouwing niet vaststellen dat de regels in het excelbestand waarin bij ‘Periode Jaar’ ‘2019’ staat vermeld in werkelijkheid betrekking hebben op het jaar 2018.
Beschikbaarheid pensioenkapitalen en werknemerspremie
StiPP stelt dat voor een substantieel aantal van de in de excelberekening opgenomen gevallen geldt dat zij niet meer over de pensioenkapitalen beschikt omdat zij deze heeft uitgegeven. De kantonrechter merkt hierover op dat in het tussenvonnis al is geoordeeld dat onvoldoende is gebleken van een onmogelijkheid tot terugbetaling. De kantonrechter ziet in hetgeen StiPP heeft aangevoerd geen aanleiding om van dit oordeel terug te komen en gaat daarom aan dit bezwaar van StiPP voorbij. StiPP stelt dat eiser c.s. in zijn akte en het excelbestand ook het werknemersdeel van de pensioenpremie bij de Plusregeling als schade heeft opgenomen. De kantonrechter deelt het standpunt van StiPP dat eiser c.s. het werknemersdeel van de pensioenpremie niet uit zijn eigen vermogen heeft betaald en dat dit werknemersdeel, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet voor terugbetaling in aanmerking komt. Eiser c.s. zal deze bedragen dus uit zijn berekening moeten verwijderen en zijn vordering met het daarmee samenhangende bedrag moeten verminderen.
Onderbouwing berekening
StiPP stelt zich op het standpunt dat eiser c.s. de door hem betaalde premie over de ORT onvoldoende heeft onderbouwd en dat de overgelegde berekening voor haar niet controleerbaar is. Eiser c.s. betwist dat het excelbestand geen deugdelijke onderbouwing van zijn vordering bevat. De kantonrechter verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 27 juli 2022, waar eiser c.s. - na afstemming met StiPP - bij akte de definitieve onderbouwing van de 40 correctieregels en de herziene berekening van zijn vordering in het geding dient te brengen en partijen ieder de conclusies van hun overleg met een - voor juristen - helder standpunt over de eventuele geschilpunten ten aanzien van de definitieve onderbouwing van de 40 correctieregels en de herziene berekening van de vordering kenbaar dienen te maken.