Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 7 november 2022
ECLI:NL:GHARL:2022:9413
Feiten
Werknemer is sinds 1 oktober 2014 werkzaam bij Van den Haak B.V. (hierna: Van den Haak). Vanaf 2019 voert Van den Haak gesprekken met werknemer omdat hij te laat op zijn werk verschijnt. Werknemer wordt op 9 april 2021 geschorst omdat hij zich zonder bericht niet op het geplande begintijdstip van 6.00 uur op het werk heeft gemeld. Van den Haak schrijft dat zij tot schorsing heeft besloten gelet op de voorgeschiedenis van te laat komen. Van den Haak schorst werknemer opnieuw op 13 augustus 2021. Van den Haak noemt in de schorsingsbrief dat werknemer opnieuw in herhaling is gevallen met zijn gedrag van te laat komen en dat hij daarvoor op 17 mei 2021 een allerlaatste waarschuwing had ontvangen. Werknemer wordt uitgenodigd voor een gesprek op 17 augustus 2021 om zijn kant van het verhaal toe te lichten. In dat gesprek wordt werknemer (uiteindelijk) op staande voet ontslagen. Het ontslag wordt aan hem bevestigd in een brief van 17 augustus 2021. Werknemer heeft in eerste aanleg het ontslag op staande voet aangevochten. De kantonrechter is van oordeel dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Werknemer heeft hoger beroep ingesteld.
Oordeel
Het hof is van oordeel dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. De aanleiding voor het ontslag was dat werknemer op vrijdag 13 augustus 2021 niet op het begintijdstip op zijn werk verscheen. Hij is toen geschorst en schriftelijk uitgenodigd voor een gesprek op 17 augustus 2021, de dinsdag daarna, om zijn kant van het verhaal te toe te lichten. Van den Haak stelt onbetwist dat haar directeur met vakantie was en op die datum weer terug was. Nadat werknemer zijn verhaal had gedaan, is intern overleg gevoerd en is werknemer ontslagen. Van den Haak heeft hiermee voldoende voortvarend gehandeld. De in de ontslagbrief opgenomen dringende reden is voldoende duidelijk geformuleerd. Werknemer heeft betwist dat hij structureel te laat kwam en dat het ging om grote tijdoverschrijdingen. Ook betwist hij dat hij hiervoor veelvuldig is gewaarschuwd. Uit het door Van den Haak overgelegde overzicht blijkt dat werknemer tijdens 243 van de 562 diensten te laat is gekomen. Werknemer heeft dit niet bestreden. De vraag is of dit een dringende reden oplevert. De frequentie en de omvang van het te laat komen beoordeelt het hof als ernstig. Daarbij komt dat werknemer een gewaarschuwd mens was. Er is herhaaldelijk met hem over het te laat komen gesproken. Volgens werknemer is het te laat komen veroorzaakt doordat hij oververmoeid is geraakt door het toedoen van Van den Haak. Dit heeft hij echter niet onderbouwd met (medische) stukken. Vast staat wel dat hij deze klachten niet bij Van den Haak heeft gemeld. Het hof komt tot de conclusie dat sprake is van een dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt.