Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 10 november 2022
ECLI:NL:RBOBR:2022:5243
Feiten
Werknemers zijn allen werkzaam als ZBWI'er (zorg-behandel-inrichtings-werker) op de zeer intensieve specialistische zorg (ZISZ)-afdeling bij de Penitentiaire Inrichting Vught. ZISZ valt niet onder het gevangeniswezen maar onder de tbs. Op 5 april 2017 heeft een van de werknemers een verzoek gedaan bij de directeur van PI Vught, waarin hij vraagt om toekenning van een toelage en/of om het instellen van een onderzoek naar de aard van de bezwarende omstandigheden waaronder hij en zijn collega’s hun werk moeten verrichten. Werknemers zijn van mening dat de omstandigheden waaronder ZBIW'ers hun werkzaamheden moeten uitvoeren bezwarender zijn in vergelijking met de omstandigheden van ZBIW'ers werkzaam op een PPC-afdeling (penitentiair psychiatrisch centrum). Op 9 oktober 2017 is namens werkgever een voorgenomen besluit genomen, waarin staat dat werkgever voornemens is om geen toelage toe te kennen of een onderzoek te laten doen. Op 8 november 2017 hebben werknemers hun zienswijze kenbaar gemaakt. Op 29 januari 2018 heeft PI Vught een definitief besluit genomen. Werknemers zijn op 21 februari 2018 in bezwaar gegaan. Op 2 juli 2018 heeftPI Vught een beslissing op bezwaar genomen waarbij het bezwaar van werknemers gegrond wordt verklaard en het besluit tot het niet toekennen van een toelage en het niet opstarten van een onafhankelijk (TNO-)onderzoek wordt ingetrokken. Naar aanleiding van de uitkomst van het TNO-onderzoek heeft PI Vught op 10 maart 2021 een nieuw besluit genomen op het verzoek tot toekennen van een toelage. In dat besluit is onder meer overwogen dat uitvoering zal worden gegeven aan het plan van aanpak dat is gemaakt naar aanleiding van de adviezen van TNO. Werknemers zijn het niet eens met het besluit en zijn een procedure bij de Geschillencommissie gestart. De Geschillencommissie heeft geadviseerd om met de vakbonden in overleg te treden over de financiële tegemoetkoming. Werknemers verzoeken de kantonrechter een verklaring voor recht dat zij vanaf 5 april 2017 recht hebben op een toelage bezwarende omstandigheden.
Oordeel
De kantonrechter vindt dat de open norm van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW) in het geval van werknemers een deugdelijke rechtsgrond biedt voor hun primaire vorderingen. Uit het TNO-onderzoek is gebleken dat de functie op elf punten extra bezwarend is. In geschil is of de in het plan van aanpak opgenomen maatregelen de extra bezwarendheid hebben weggenomen. De kantonrechter vindt onder andere dat werknemers overtuigend naar voren hebben gebracht dat de maatregelen - al dan niet in overleg met het team genomen – slechts in beperkte mate de extra bezwarendheid hebben weggenomen, maar het merendeel van de gesignaleerde verschillen niet. Zo bieden de maatregelen geen adequate verlichting van aspecten als stinkende werkomgeving, tillen en sjouwen, menselijk leed, autonomie en concentratie. De gemachtigde van werkgever heeft tijdens de mondelinge behandeling de genoemde elementen, die volgens eisers maken dat er sprake is en blijft van extra bezwarende omstandigheden, wegens gebrek aan wetenschap moeten betwisten omdat de direct leidinggevende van eisers niet ter zitting aanwezig was. De kantonrechter passeert dit verzoek van PI Vught. Van PI Vught mag in redelijkheid worden verwacht dat zij op de hoogte is van de feitelijke situatie op de werkvloer. Concluderend stelt de kantonrechter dat PI Vught in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten om eisers geen toelage te verstrekken, zonder in strijd te komen met de eisen die voortvloeien uit het beginsel van goed werkgeverschap. De weigering om een toelage zelfs maar in overweging te nemen, verhoudt zich slecht met de door werknemers aangehaalde algemene rechtsbeginselen. De bepaling van de hoogte van de toelage ligt in de discretionaire bevoegdheid van PI Vught.