Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Dordrecht), 21 november 2022
ECLI:NL:RBROT:2022:9869
Feiten
Werkneemster werkt sinds 1 januari 2019 als gemeentesecretaris bij de gemeente Hoeksche Waard (hierna: Hoeksche Waard). Bij het aantreden van de heer X bij Hoeksche Waard heeft hij geluiden opgevangen van gevoelens van onveiligheid van werknemers. Daarom heeft hij opdracht gegeven aan een externe consultant om een onderzoek te doen naar de samenwerking en cultuur binnen Hoeksche Waard. In verband met dit onderzoek is werkneemster geschorst. Op basis van het rapport van dit onderzoek is de schorsing van werkneemster verlengd en is er een nader onderzoek aangekondigd. Dat onderzoek loopt momenteel. Werkneemster vordert dat de schorsing wordt opgeheven, dat zij haar gebruikelijke werkzaamheden weer kan verrichten en dat Hoeksche Waard wordt verplicht om het thans lopende onderzoek te stoppen.
Oordeel
Hoeksche Waard hoeft de schorsing van werkneemster niet op te heffen. Doorslaggevend bij dat oordeel is dat het belang van werkneemster bij opheffing niet groot genoeg is tegenover de mogelijke gevolgen van (het terugdraaien van) een opheffing voor Hoeksche Waard. Het belang van Hoeksche Waard bestaat – kort gezegd – uit rust op de werkvloer. Uit de stukken en de houding van partijen tijdens de zitting is gebleken dat het niet aannemelijk is dat een terugkeer van werkneemster op de werkvloer op dit moment op een prettige manier zal kunnen verlopen. Aan de kant van werkneemster geldt dat zij op vragen van de kantonrechter heeft geantwoord dat het voor haar het belangrijkst is dat zij weer contact mag hebben met haar collega’s. Volgens haar mocht zij dat gedurende de schorsing niet hebben. Normaal gesproken heeft een schorsing die beperking in contact niet, maar in dit geval wel. Dat blijkt uit een brief die door Hoeksche Waard aan werkneemster is gestuurd. Hoeksche Waard heeft tijdens de zitting verklaard dat van een contactverbod geen sprake was. Voor zover nodig heeft Hoeksche Waard het ‘contactverbod’ per direct ingetrokken. Dat laatste staat door opname van die verklaring in dit vonnis vast. Werkneemster heeft dus geen opheffing van de schorsing meer nodig om (weer) contact te kunnen hebben met haar collega’s. Dat mag zij vanaf nu ook tijdens de schorsing hebben. Daarmee is haar voornaamste belang bij haar vordering komen te vervallen: zij kan nu zelf aan collega’s uitleggen hoe ‘het volgens haar zit’. Onder die omstandigheid weegt de eveneens namens werkneemster aangevoerde stelling dat de schorsing voor werkneemster kwetsend en (mogelijk) schadelijk kan zijn, niet zwaar genoeg en valt de belangenafweging uit in het voordeel van Hoeksche Waard. De belangenafweging geeft in dit vonnis de doorslag, omdat op basis van de stukken en wat partijen hebben verteld, niet kan worden geoordeeld dat de schorsing onterecht is. Ten overvloede wordt overwogen dat op basis van dit alles ook niet kan worden geoordeeld dat de schorsing wel terecht is. In het reeds verschenen rapport staan veel positieve zaken over werkneemster vermeld, terwijl andere conclusies op twee manieren kunnen worden uitgelegd: positief of negatief. Van weer andere conclusies is het niet duidelijk of/dat die (alleen) op werkneemster slaan, maar wordt die suggestie wel gewekt. Overigens wordt in de onderhavige procedure geen oordeel gevraagd of gegeven over het functioneren van werkneemster. Er wordt geen gebod uitgesproken aan het adres van Hoeksche Waard om het thans lopende onderzoek te staken, omdat daarvoor geen juridisch argument bestaat. Dat komt doordat het niet voldoende duidelijk is dat er geen reden is voor het onderzoek. Daarmee oordeelt de kantonrechter niet dat het onderzoek terecht is voortgezet. Ook is het geen waardeoordeel over de inhoud van het onderzoek. Over die laatste onderwerpen wordt in deze procedure geen uitspraak gevraagd en dat zou ook niet kunnen.