Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 4 november 2022
ECLI:NL:RBROT:2022:9769
Feiten
Werknemer is met ingang van 1 januari 2016 tot 1 december 2021 bij Conxillium Group B.V. (hierna: Conxillium) in dienst geweest. In zijn arbeidsovereenkomst was een golden parachute-bepaling opgenomen, op basis waarvan werknemer aanspraak kon maken op een beëindigingsvergoeding indien de arbeidsovereenkomst eindigt zonder dat daar een aan werknemer toe te rekenen reden aan ten grondslag ligt. Voorafgaand aan de totstandkoming van de bepaling hebben partijen uitvoerig gecorrespondeerd over de precieze formulering. De arbeidsovereenkomst is na een periode van twee jaar ziekte door een vaststellingsovereenkomst geëindigd. Daarin hebben partijen elkaar finale kwijting verleend. Weknemer eist dat Conxillium wordt veroordeeld om aan hem de beëindigingsvergoeding uit de golden parachute-bepaling te betalen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Allereerst overweegt de kantonrechter dat de vaststellingsovereenkomst niet blokkeert dat werknemer aanspraak kan maken op de beëindigingsvergoeding. In de vaststellingsovereenkomst is namelijk uitdrukkelijk bepaald dat de tussen partijen overeengekomen finale kwijting geen betrekking heeft op de (vermeende) aanspraken van werknemer op de bedoelde beëindigingsvergoeding. Vervolgens verwerpt de kantonrechter het verweer van Conxillium dat de arbeidsovereenkomst op initiatief van werknemer is beëindigd en dat daarom de reden voor de beëindiging (gedeeltelijk) aan werknemer kan worden toegerekend. Nergens blijkt expliciet uit dat de arbeidsovereenkomst op initiatief van werknemer tot een einde is gekomen. Tussen partijen bestaat verder discussie over het antwoord op de vraag of de golden parachute-bepaling al dan niet moet worden geïnterpreteerd (uitgelegd), in die zin dat moet worden beoordeeld wat partijen met die bepaling hebben bedoeld. Een noodzaak tot uitleg is echter niet aan de orde, omdat die golden parachute-bepaling duidelijk is. Werknemer kan aanspraak maken op een beëindigingsvergoeding ten bedrage van € 100.000 in het geval de arbeidsovereenkomst tussen partijen eindigt zónder dat daar een reden aan ten grondslag ligt die geheel of gedeeltelijk aan werknemer is toe te rekenen. In deze zaak moet wel worden beoordeeld of de reden die aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen ten grondslag ligt (langdurige arbeidsongeschiktheid van werknemer) geheel of gedeeltelijk aan hem is toe te rekenen. In de stukken en tijdens de mondelinge behandeling heeft de discussie tussen partijen zich toegespitst op de uitleg van de golden parachute-bepaling. Het antwoord op de vraag of de langdurige arbeidsongeschiktheid van werknemer geheel of gedeeltelijk aan hem is toe te rekenen, is daarbij slechts zijdelings aan de orde gekomen. Om een mogelijke verrassingsbeslissing te voorkomen én om partijen de mogelijkheid te bieden om ten aanzien van dit geschilpunt een (onderbouwd) standpunt in te nemen, zal de kantonrechter partijen de gelegenheid bieden om zich bij akte uit te laten over het antwoord op de vraag of de langdurige arbeidsongeschiktheid van werknemer een omstandigheid is die geheel of gedeeltelijk aan werknemer kan worden toegerekend. De kantonrechter verwijst de zaak naar de rolzitting op een latere datum en houdt iedere verdere beslissing aan.