Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer / werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Lelystad), 9 september 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:3639
Ontslag op staande voet wegens frauduleuze inkooppraktijken ten onrechte gegeven. Werknemer heeft recht op een billijke vergoeding.

Feiten

Werknemer is op 12 november 2018 in dienst getreden van werkgeefster. Werknemer is op 27 april 2022 op staande voet ontslagen door werkgeefster omdat werknemer nauw betrokken was bij aan het licht gekomen frauduleuze inkooppraktijken. Ook heeft werknemer het nevenwerkzaamheden- en geheimhoudingsbeding uit de arbeidsovereenkomst geschonden en heeft hij geweigerd om mee te werken aan een door werkgeefster geïnitieerd onderzoek naar de frauduleuze inkooppraktijken. Deze redenen vormen ieder op zich, maar ook in onderlinge samenhang beschouwd, een dringende reden, aldus werkgeefster. Werknemer verzoekt vernietiging van het ontslag op staande voet en tevens verzoekt hij dat wordt bepaald dat de arbeidsovereenkomst op 1 juni 2022 is geëindigd.

Oordeel

Het staat vast dat er sprake was van inkoop, in die zin dat er inkooporders bij Chinese leveranciers werden geplaatst die vervolgens een pro forma factuur aan werkgeefster zonden. Deze vennootschappen verstuurden vervolgens (hogere) eigen facturen aan werkgeefster die vervolgens door werknemer buiten de gebruikelijke inkoopprocessen werden gehouden en daarmee buiten het zicht en medeweten van mevrouw C bleven. Werknemer heeft ook de Chinese facturen verwerkt. Hoewel deze praktijk op zijn minst dubieus is, is voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een dringende reden, van belang of werknemer wist dat wat hij deed niet mocht. Hierover heeft werknemer onbetwist gesteld dat hij werkte volgens de geldende werkinstructies waarbij deze inkoopprocedure werd gehanteerd op aangeven van de heer B, destijds bestuurder van werkgeefster. Mevrouw C heeft in het rapport bevestigd dat zij wist van de gang van zaken rondom de inkoop via de buitenlandse vennootschappen van de heer B, maar dat zij 'veronderstelde' dat deze inkopen niet meer werden voortgezet nadat zij de aandelen van werkgeefster had verworven. Naar het oordeel van de kantonrechter had zij met het enkele veronderstellen niet mogen volstaan. Werknemer is vervolgens doorgegaan met de voor hem gebruikelijke werkwijze omdat er geen andersluidende instructie was gegeven. Dit vormt aldus geen dringende reden. Verder heeft werkgeefster aan het ontslag ten grondslag gelegd dat werknemer in strijd heeft gehandeld met het nevenwerkzaamhedenbeding door per 1 januari 2022 aan te treden als bestuurder van een onderneming. Hoewel de kantonrechter dit wel kwalificeert als een schending van het nevenwerkzaamhedenbeding, vormt dit geen dringende reden, nu werkgeefster werknemer hier eerst op had moeten aanspreken. Ook de weigering van werknemer om aan het onderzoek van de onderneming mee te werken vormt geen dringende reden voor het ontslag. Op 8 maart 2022 is werknemer geschorst en is zijn loon stopgezet omdat hij weigerde mee te werken aan het onderzoek. Dit was geen reden om het loon stop te zetten en dus zal het verzochte loon vanaf 8 maart 2022 worden toegewezen tot aan de datum van het ontslag op staande voet op 27 april 2022, te vermeerderen met wettelijke verhoging. Ook zal de vordering tot uitbetaling van vakantiedagen en de transitievergoeding worden toegewezen. Werknemer heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij berust in het ontslag en een billijke vergoeding wil. Nu opgezegd is in strijd met artikel 7:671 BW heeft werknemer recht op een billijke vergoeding van twee maanden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat werknemer gezien zijn jonge leeftijd (25 jaar) en opleidingsniveau redelijk tot goede carrièreperspectieven heeft en hij nog inwonend is bij zijn moeder en daarmee geen kosten voor huisvesting heeft, althans dit is niet gesteld of gebleken. Werkgeefster heeft verder verzocht werknemer te veroordelen wegens overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding. Werknemer heeft door per 1 januari 2022 aan te treden als bestuurder in strijd gehandeld met het nevenactiviteitenbeding en de verzochte boete van € 1000 zal daarom worden toegewezen.