Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Bergen op Zoom), 9 november 2022
ECLI:NL:RBZWB:2022:7238
Feiten
Werknemer is sinds 2002 in dienst van werkgeefster. Tot 1 januari 2016 bestonden de bedrijfsactiviteiten van werkgeefster uit drie activiteiten: (1) de groothandel in bouwmaterialen; (2) de handel in ruwe grafstenen; (3) het produceren van natuurstenen producten in de zagerij (hierna: de zagerij). Op 1 januari 2016 heeft werkgeefster de bedrijfsactiviteiten in de zagerij beëindigd. De stichting bedrijfstakpensioenfonds voor de handel in bouwmaterialen (hierna: HiBiN) voert de pensioenregeling voor de bedrijfstak handel in bouwmaterialen uit. In het verplichtstellingsbesluit van HiBiN staat onder meer genoemd wat onder groothandel in bouwmaterialen valt en wanneer dit de hoofdzaak van de onderneming is. HiBiN heeft geoordeeld dat de bedrijfsactiviteiten van werkgeefster vanaf 1 januari 2016 onder de werkingssfeer van HiBiN vallen en dat werkgeefster vanaf die datum verplicht is aangesloten bij HiBiN. Werkgeefster heeft over de periode 1 januari 2016 tot 1 januari 2017 vrijstelling van verplichte deelneming verkregen, omdat zij een al bestaande eigen pensioenregeling had die ten minste actuarieel en financieel gelijkwaardig is bevonden. Werknemer vordert onder meer een verklaring voor recht dat werkgeefster ook al voor 2016 onder de werkingssfeerbepaling van HiBiN viel.
Oordeel
Partijen zijn in geschil over de vraag of de drie activiteiten van werkgeefster voor 1 januari 2016 elk moeten worden aangemerkt als zelfstandige activiteit of dat de werkzaamheden in de zagerij ondersteunend waren aan de werkzaamheden in de groothandel. De kantonrechter is van oordeel dat tegenover de gemotiveerde betwisting door HiBiN werknemer onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld ter onderbouwing van de stelling die hij aan zijn vordering ten grondslag legt, te weten dat de zagerij een ondersteunende werkzaamheid was en dat de werkzaamheden van de zagerij daarom moeten worden toegerekend aan de werkzaamheden in de groothandel waardoor werkgeefster al voor 1 januari 2016 onder het verplichtstellingsbesluit viel. In de zagerij werden namelijk producten op maat gemaakt, geproduceerd en vervaardigd. Deze terminologie duidt niet op werkzaamheden die vallen onder de groothandel in bouwmaterialen en gaan verder dan gebruikelijke be- en verwerking in de groothandel in bouwmaterialen. Aangezien werknemer onvoldoende heeft gesteld, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Tussen partijen is niet in geschil dat het aantal werkuren in de groothandel in bouwmaterialen moet worden meegeteld voor de vraag of werkgeefster aan het hoofdzakelijkheidscriterium van het verplichtstellingsbesluit voldoet. Nu is geconcludeerd dat de werkzaamheden in de zagerij niet moeten worden toegerekend aan de werkzaamheden in de groothandel, tellen deze werkuren niet mee voor de vraag of werkgeefster zich in hoofdzaak bezighoudt met de groothandel in bouwmaterialen. Volgens de zowel door werknemer als de door HiBiN ingebrachte tabel werd in het jaar 2015 33 procent van het aantal werkuren bij werkgeefster besteed aan de handel in bouwmaterialen. Dit maakt dat voor het jaar 2015 niet is voldaan aan het criterium van hoofdzakelijkheid. Hiervoor is immers een percentage werkuren hoger dan vijftig vereist. Niet gesteld of gebleken is dat het aantal werkuren dat valt onder de groothandel in bouwmaterialen in de jaren 2002 tot en met 2014 het percentage van vijftig wel overstijgen. Werkgeefster valt in de jaren 2002 tot en met 2015 dan ook niet onder het verplichtstellingsbesluit en het bedrijfstakpensioenfonds HiBiN. De vorderingen van werknemer worden daarom afgewezen.