Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/werknemer
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 6 december 2022
ECLI:NL:GHDHA:2022:2356
Loonvordering van een chauffeur die op basis van een oproepcontract vier maanden heeft gewerkt. Niet bewezen dat werknemer de salarisspecificaties heeft getekend. Ook is niet bewezen dat werkgever meer heeft betaald dan door werknemer is erkend.

Feiten

Werknemer heeft van 15 oktober 2018 tot en met 10 februari 2019 krachtens een arbeidsovereenkomst als chauffeur voor werkgever, een taxibedrijf, gewerkt. Partijen verschillen van mening over het aantal gewerkte arbeidsuren per week. Werknemer stelt dat hij over de gehele periode dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft geduurd, veertig uur per week heeft gewerkt tegen een bruto uurloon van € 11 en dat hij in totaal slechts € 900 netto van werkgever heeft ontvangen. In eerste aanleg vordert werknemer een verklaring voor recht dat tussen partijen in de periode van 15 oktober 2018 tot en met 10 februari 2019 een arbeidsovereenkomst heeft bestaan, alsmede werkgever te veroordelen aan hem een bedrag van € 7.330,46 bruto te betalen ter zake van loon en vakantietoeslag over genoemde periode. Werkgever heeft in eerste aanleg verweer gevoerd en bij zijn conclusie van antwoord onder meer door werknemer getekende salarisspecificaties in het geding gebracht over de maanden oktober 2018 tot en met februari 2019, waaruit volgt dat hij over die maanden in het totaal € 3.813,07 netto aan werknemer verschuldigd is geworden. In een tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat werknemer tijdens een comparitie van partijen heeft erkend dat genoemde salarisspecificaties juist zijn, in de zin dat deze een juiste weergave zijn van de door werknemer gewerkte uren en het daarvoor door werkgever verschuldigde loon. De kantonrechter heeft ook overwogen dat de specificaties geen bewijs opleveren van betaling aan werknemer van de op de specificaties vermelde bedragen, omdat werknemer betwist dat de handtekeningen door hem op de specificaties zijn geplaatst. De kantonrechter heeft werkgever vervolgens toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat de handtekeningen op de salarisspecificaties door werknemer zijn geplaatst. In het eindvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat op grond van de getuigenverklaringen onvoldoende is komen vast te staan dat de handtekeningen op de overgelegde salarisspecificaties door werknemer zijn geplaatst en dat daarmee evenmin is komen vast te staan dat werkgever de daarop vermelde bedragen aan werknemer heeft betaald. De kantonrechter heeft de vordering van werknemer vervolgens toegewezen tot het genoemde bedrag van € 3.813,07 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente en wettelijke verhoging van twintig procent over het achterstallige loon. 

Oordeel

Het hoger beroep richt zich tegen het eindvonnis. Werkgever klaagt met grief 1 over het oordeel van de kantonrechter dat niet is komen vast te staan dat de handtekeningen op de salarisspecificaties door werknemer daarop zijn geplaatst en dat daarmee evenmin is komen vast te staan dat werkgever de op die specificaties vermelde bedragen aan werknemer heeft betaald. Grief 2 stelt aan de orde dat ook uit de getuigenverklaringen volgt dat er in ieder geval een aantal loonbetalingen hebben plaatsgevonden. Werkgever wijst in het kader van die grief ook op het feit dat werknemer bereid was de zaak finaal te regelen voor een bedrag van € 500, hetgeen hem bevreemdt, nu werknemer in deze procedure een veelvoud van dat bedrag vordert. Naar het oordeel van het hof faalt grief 1 omdat op grond van de getuigenverklaringen niet is komen vast te staan dat werknemer de salarisspecificaties heeft getekend en dat werkgever ook anderszins geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die, indien bewezen, tot dat oordeel zouden nopen. Ingevolge het bepaalde in artikel 159 lid 2 Rv leveren de salarisspecificaties op zichzelf dus geen bewijs op van betaling van de daarop gestelde nettobedragen. Nu werknemer betwist dat hij meer van werkgever heeft ontvangen dan het reeds in de inleidende dagvaarding genoemde bedrag van € 900 netto, ligt het op de weg van werkgever aan te tonen dat hij meer dan dat bedrag heeft betaald. Dat betekent dat van hem verwacht had mogen worden dat hij aantoonde wanneer hij welke bedragen aan werknemer heeft betaald. Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat werkgever meer dan € 900 netto aan werknemer heeft betaald. Hoewel de kantonrechter in het tussenvonnis melding maakt van de betaling van € 900, heeft zij die betaling niet in mindering gebracht op het bij het eindvonnis toegewezen bedrag van € 3.813,07. Het hof doet dat alsnog en vernietigt het eindvonnis van de kantonrechter voor zover er meer dan een bedrag van € 2.913,07 is toegewezen.