Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 20 december 2022
ECLI:NL:GHDHA:2022:2459
Feiten
Werknemer is sinds 1 november 2018 bij werkgever in dienst. In het bedrijfsreglement van werkgever is in artikel 30 een verbod opgenomen op o.a. ongewenst gedrag. Op 4 maart 2021 heeft werknemer na afloop van zijn werkzaamheden op weg naar huis met de door werkgever aan hem ter beschikking gestelde bus rondgereden in Bleiswijk. Hij heeft enige tijd stilgestaan aan de Peppeldreef aldaar. Op donderdagmiddag 4 maart 2021 heeft een vrouw telefonisch contact opgenomen met werkgever en gesproken met de heer A. Zij heeft hem verteld wat haar was overkomen op de Peppeldreef in Bleiswijk. In een proces-verbaal van aangifte van 15 maart 2021 is onder meer opgenomen dat werknemer haar aansprak en dat zij, toen zij vervolgens naar de auto van werknemer toeliep, zag dat werknemer een ontbloot onderlichaam had en aan haar vroeg of zij zijn geslachtsdeel wilde vasthouden. Werkgever heeft werknemer verzocht om op 5 maart 2021 's ochtends naar de zaak te komen. Werknemer heeft zich op 5 maart 2021 rond 06.30 uur op het werk gemeld. Op 5 maart 2021 om 07.00 uur heeft werknemer een WhatsApp-bericht van A ontvangen met als bijlage een brief waarin hem ontslag op staande voet is aangezegd. Bij de bestreden tussenbeschikking heeft de kantonrechter geoordeeld dat het voorval op de Peppeldreef op 4 maart 2021, indien dit komt vast te staan, een dringende reden voor een ontslag op staande voet oplevert. Verder heeft de kantonrechter voorlopig geoordeeld dat werkgever geslaagd was in het bewijs hiervan, en heeft hij werknemer in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren. Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat de dringende reden voldoende duidelijk is omschreven en dat het ontslag onverwijld is gegeven en niet in strijd is met het opzegverbod bij ziekte. Bij de bestreden eindbeschikking heeft de kantonrechter geoordeeld dat werknemer geen tegenbewijs heeft geleverd. In hoger beroep verzoekt werknemer (samengevat) de bestreden beschikkingen te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog zijn verzoeken toe te wijzen en de tegenverzoeken van werkgever af te wijzen. Volgens werknemer is de dringende reden in deze ontslagbrief niet duidelijk omschreven en is de dringende reden hem daarom niet onverwijld meegedeeld. Voor werknemer is namelijk niet duidelijk waarom hij is ontslagen omdat hij niet weet waar, hoe laat en welke vrouw hij onheus bejegend zou hebben. Dat staat niet in de ontslagbrief, aldus nog steeds werknemer.
Oordeel
De dringende reden is uit de ontslagbrief duidelijk kenbaar. Het hof verwerpt het argument dat het niet vermelden van de exacte locatie, tijdstip en identiteit van de vrouw de dringende reden onduidelijk maakt. De dringende reden is onverwijld meegedeeld, namelijk op de dag na dat voorval. Naar het oordeel van het hof is het bewijs van het voorval geleverd. Het gaat om de essentie van het voorval: het tonen van het geslachtsdeel van ‘de jongeman’ aan de vrouw, met het verzoek aan haar om dit vast te houden. Hierover heeft de vrouw steeds consequent hetzelfde en op authentieke wijze verklaard. Deze verklaringen van de vrouw zijn overtuigend. Het feit dat zij op detailniveau soms wisselend heeft verklaard over bijvoorbeeld de exacte locatie en het precieze tijdstip, en het feit dat zij de moedervlek van werknemer niet heeft gezien, doen er niet aan af dat de vrouw over het voorval zelf, waarvan mag worden aangenomen dat zij daarvan ernstig onder de indruk was, duidelijk en overtuigend heeft verklaard. Deze impact van het voorval verklaart ook dat zij vrijwel direct contact heeft gezocht met werkgever, waarvan zij de bedrijfsnaam op de auto had zien staan. Dat zij zich daarbij zou hebben vergist en de auto zou hebben verwisseld met een andere daar op hetzelfde moment aanwezige auto, acht het hof in dat licht niet aannemelijk. Er is geen reden of aanwijzing om aan te nemen dat de vrouw enig belang had om in strijd met de waarheid te verklaren. Verder is er ook niets gebleken op grond waarvan kan worden aangenomen dat de waarneming van de vrouw toen is beïnvloed door medische omstandigheden of door het gebruik van medicijnen, alcohol of drugs. Het enkele last hebben van staar is van onvoldoende betekenis. De vrouw heeft niet alleen duidelijk verklaard over wat zij heeft gezien, maar ook over wat de jongeman tegen haar heeft gezegd, welke beide waarnemingen op elkaar aansluiten. Niet in geschil is dat werknemer omstreeks 16.00 uur op 4 maart 2021 met de bedrijfsauto van werkgever in Bleiswijk is geweest, onder meer op of bij de Peppeldreef. Voor de aanwezigheid van een andere persoon in een bedrijfsauto van werkgever bestaat geen aanwijzing. Er is ook geen aanwijzing dat de vrouw zich heeft vergist, in die zin dat het om een auto van een ander bedrijf gaat. De verklaringen die werknemer zelf heeft afgelegd, acht het hof in het licht van het bovenstaande onvoldoende overtuigend. Dit alles brengt mee dat ook het hof van oordeel is dat werkgever geslaagd is in het bewijs dat het door de vrouw geschetste voorval op 4 maart 2021 daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De grieven die zich richten tegen de bewijswaardering worden daarmee verworpen. Gelet op de ernst van het voorval dat heeft plaatsgevonden, en het grote en terechte belang van werkgever bij het behouden van zijn goede naam, ontstond daarmee een ernstige situatie in de arbeidsrelatie tussen partijen. Verder is van belang dat deze handelwijze van werkgever aansluit op artikel 30 van het bedrijfsreglement, waarin is bepaald dat dergelijk ongewenst gedrag in ernstige gevallen tot een ontslag op staande voet kan leiden. Naar het oordeel van het hof is sprake van een ernstig geval als bedoeld in het bedrijfsreglement. Het hof ziet in de gestelde arbeidsongeschiktheid van werknemer geen reden om anders te oordelen over het ontslag op staande voet. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep faalt. De beschikkingen van de kantonrechter zullen worden bekrachtigd.