Naar boven ↑

Rechtspraak

Federatie Nederlandse Vakbeweging/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Lelystad), 15 juni 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:4904
Partijen worden in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen te verstrekken om te bepalen of werkgeefster tijdens de coronacrisis een collectieve vakantieweek mocht vaststellen. Uitleg cao Metalelektro. Tussenbeschikking.

Feiten

Werkgeefster is producent en leverancier. Vlak na de intrede van de coronacrisis in Nederland heeft werkgeefster op 16 maart 2020 besloten tot een productiestop van vier weken. Werkgeefster heeft daarbij drie weken voor haar rekening genomen. De vierde week heeft werkgeefster aangewezen als collectieve vakantie. Werkgeefster valt gelet op haar bedrijfsactiviteiten in de grootmetaal onder de Cao Metalektro (hierna: de cao). In de cao is een bepaling opgenomen over het vaststellen van een vakantie. De vraag die voorligt, is of werkgeefster in strijd met de cao heeft gehandeld door op 16 maart 2020 een collectieve vakantieweek vast te stellen voor week 15 van 2020. FNV stelt dat werkgeefster in strijd heeft gehandeld met de cao, doordat werkgeefster niet voorafgaand aan haar besluit om een collectieve vakantieweek vast te stellen overeenstemming heeft bereikt met de OR. Werkgeefster voert aan dat FNV ten onrechte stelt dat zij met de voltallige OR overeenstemming moest bereiken over het vaststellen van de collectieve vakantieweek. Werkgeefster meent dat het voldoende is dat zij toestemming had van het dagelijks bestuur van de OR, omdat het dagelijks bestuur bevoegd was om de OR te vertegenwoordigen in het overleg met werkgeefster op 16 maart 2020.

Oordeel

Bij de beoordeling stelt de kantonrechter voorop dat op grond van artikel 7:638 lid 2 BW de werkgever een collectieve vakantie kan vaststellen als daarover afspraken zijn gemaakt bij schriftelijke overeenkomst of in de cao. Partijen zijn het erover eens dat op grond van het bepaalde in de cao werkgeefster in beginsel de mogelijkheid heeft een collectieve vakantie vast te stellen, maar partijen zijn verdeeld over de vraag of werkgeefster wel conform het hierover bepaalde in de cao heeft gehandeld. De kantonrechter heeft behoefte aan nadere inlichtingen van partijen. Daartoe zal een mondelinge behandeling worden bepaald. De kantonrechter verzoekt beide partijen om de diverse OR-leden van wie een verklaring is overgelegd, mee te nemen naar de zitting. De mondelinge behandeling kan ook worden benut om de mogelijkheid van een minnelijke regeling te onderzoeken en, voor het geval een regeling niet haalbaar blijkt en partijen hun stellingen handhaven, de verdere instructie van de zaak te bespreken.