Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 21 november 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:5083
Concurrentiebeding bouwkundige is niet zwaarder gaan drukken. Functiewijzigingen passen bij normaal carrièrepad. Wel is sprake van onbillijke benadeling, nu werknemer na einde dienstverband bij (nagenoeg) geen enkel bouwbedrijf in dienst zou mogen treden. Schorsing concurrentiebeding.

Feiten

Werknemer is sinds december 2010 werkzaam bij (de rechtsvoorganger van) werkgeefster. In de arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen. Werknemer is sinds de ondertekening van het concurrentiebeding twee keer van functie gewijzigd. Werknemer heeft zijn arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2022 opgezegd. Hij wil in dienst treden bij een andere onderneming (hierna: X) en heeft werkgeefster hiervoor toestemming gevraagd. Werkgeefster heeft die toestemming niet gegeven. Zij stelt zich op het standpunt dat X een directe concurrent is van werkgeefster, omdat beide bedrijven actief zijn in de modulaire bouw, en dat werknemer door aldaar in dienst te treden dus het overeengekomen concurrentiebeding zou overtreden. Werknemer vordert in kort geding schorsing van het concurrentiebeding.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt allereerst dat werkgeefster en X elkaars concurrenten zijn in de zin van het concurrentiebeding. Beide ondernemingen houden zich bezig met modulaire bouw. Werknemer stelt allereerst dat het concurrentiebeding zwaarder is gaan drukken, waardoor het beding zijn gelding heeft verloren. Werknemer is sinds de ondertekening van het concurrentiebeding twee keer van functie gewijzigd. Volgens werknemer had het concurrentiebeding bij deze promoties opnieuw moeten worden overeengekomen. De kantonrechter is echter van oordeel dat deze functiewijzigingen binnen een normaal carrièrepad passen. Werknemer is op hetzelfde gebied werkzaam gebleven, namelijk op het gebied van bouwkundig tekenen. Hij heeft er weliswaar in de loop der jaren meer taken bij gekregen, waaronder leidinggevende taken, en is meer dan het dubbele gaan verdienen, maar dat is in een dienstverband van meer dan 10 jaar een te voorziene gang van zaken. Er is dan ook geen sprake van een ingrijpende en onvoorzienbare wijziging van de arbeidsverhouding. Dat het beding om die reden zwaarder is gaan drukken kan daarom niet worden aangenomen. De kantonrechter acht het daarom aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat het concurrentiebeding zijn geldigheid niet heeft verloren. Werknemer stelt voorts dat hij onbillijk wordt benadeeld door het concurrentiebeding. De kantonrechter weegt de belangen van beide partijen tegen elkaar af. Het concurrentiebeding is ruim geformuleerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft werkgeefster toegelicht dat werknemer gedurende zijn dienstverband (technische) kennis heeft opgedaan van onder meer de aanpak en bedrijfsstrategie van werkgeefster op het gebied van modulair bouwen. Zij wil voorkomen dat deze kennis bij X terechtkomt, een voor haar belangrijke concurrent. Werkgeefster heeft echter nagelaten te onderbouwen welke essentiële relevante technische kennis werknemer heeft of van welke werkprocessen en strategieën binnen de modulaire bouw hij op de hoogte is. Werkgeefster heeft deze kennis niet gespecificeerd. Evenmin is toegelicht waarom het (eventuele) bezit van die kennis een risico vormt voor het door werkgeefster te beschermen bedrijfsdebiet. Dat is niet zonder meer vanzelfsprekend. Haar belang is dus onvoldoende duidelijk geworden. De kantonrechter stelt verder vast dat werkgeefster een uitleg van het overeengekomen beding hanteert waarbij ook bedrijven die met prefab/geïndustrialiseerde bouwmethode werken daaronder vallen. Dat zou betekenen dat werknemer bij nagenoeg geen enkel bouwbedrijf in Nederland in dienst zou mogen treden. Hij zal dan ook ernstig nadeel ondervinden van het concurrentiebeding bij het vinden van een passende werkkring. Werknemer wordt aldus in vergaande mate geschaad in zijn vrije arbeidskeuze. De kantonrechter acht de conclusie gerechtvaardigd dat werknemer in verhouding tot het belang van werkgeefster door het concurrentiebeding onbillijk wordt benadeeld. De vordering tot het schorsen van het concurrentiebeding wordt toegewezen.