Naar boven ↑

Rechtspraak

Vordering van werknemer tot nakoming pensioenregeling door werkgever. Werkgever toerekenbaar tekortgeschoten in verplichting om pensioen deugdelijk onder te brengen. Werknemer heeft recht op schadevergoeding gelijk aan de hoogte van de werkgeverspremie.

Feiten

Werknemer is op 1 februari 2002 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger) van werkgever. In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat een pensioenregeling is overeengekomen. In dat kader is er een pensioenverzekering afgesloten bij Generali Verzekeringsgroep (hierna: Generali). Ten behoeve daarvan hebben partijen de ‘Aanvraag Pensioen GENERALI ToekomstPlan’ ondertekend waarin opgenomen is dat de regeling een looptijd heeft van 1 februari 2002 tot 1 februari 2036 en dat werkgever per jaar een vast bedrag van € 1.523 aan premie betaalt. De door werkgever ingeschakelde verzekeringstussenpersoon heeft in mei 2016 aan werkgever laten weten dat het voor werknemer gekozen pensioenproduct niet langer wordt aangeboden. Vervolgens is Generali overgenomen door A.S.R. In februari 2019 zijn partijen tot overeenstemming gekomen over het einde van het dienstverband tegen finale kwijting, met uitzondering van de door werknemer gestelde pensioenaanspraken. Werknemer vordert nakoming van de toezeggingen om een toereikende pensioenvoorziening te treffen.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer heeft ter zitting verklaard dat hij het gevoel had dat het opgebouwde pensioen bij Generali niet het enige kon zijn en dat hij daarom in 2010 navraag heeft gedaan bij de directeur. Volgens werknemer kreeg hij op zijn vraag geen helder of concreet antwoord, maar gaf de directeur wel aan dat het geregeld zou worden. In 2017 heeft hij nogmaals verzocht om opheldering. De directeur heeft toen een overzicht gegeven met daarop de pensioenreserveringen van werkgever (overgelegd als productie 5) en daarbij gezegd dat het pensioen van werknemer in die reservering zat. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn deze mededelingen van de directeur – mede gelet op de omstandigheden waarin zij zijn gedaan – onvoldoende concreet om deze te bestempelen als een toezegging zoals werknemer aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd. Werknemer heeft immers ook verklaard dat de gesprekken met de directeur kort waren, hij geen heldere antwoorden kreeg en het voor hem ook gissen was. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat werknemer er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat een toereikende pensioenregeling werd bewerkstelligd. De meest subsidiaire vordering is deels toewijsbaar. Op grond van de tussen partijen in de arbeidsovereenkomst overeengekomen regeling was werkgever gehouden om het pensioen van werknemer deugdelijk onder te brengen en pensioenpremies af te dragen. Vaststaat dat per 1 maart 2018 geen premie meer is afgedragen en dat werkgever – ondanks het bericht van [bedrijf] in 2016 – het pensioen niet elders heeft voortgezet. Dit betekent dat werkgever in die verplichting toerekenbaar tekortgeschoten is. Werknemer stelt dat hij hierdoor recht heeft op uitbetaling van de premie over het jaar 2018 en 2019 en de kantonrechter begrijpt daaruit dat hij vervangende schadevergoeding vordert. Aangezien de vervangende schadevergoeding in de plaats treedt van de prestatie zelf zal het in beginsel gaan om vergoeding van de waarde van de prestatie. In dit geval kan dat worden begroot op het bedrag aan werkgeverspremie (vgl. Hof Amsterdam 4 juni 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:1665).