Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Payper Payroll B.V.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 1 maart 2023
ECLI:NL:RBZWB:2023:1428
Opzegging werkneemster met inachtneming van de opzegtermijn. Toewijzing loonvordering.

Feiten

Werkneemster is op 24 juni 2021 bij Payper Payroll B.V. (hierna: Payper) in dienst getreden op basis van een payrollovereenkomst voor bepaalde tijd met als einddatum 23 juni 2022. Op 21 november 2021 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen werkneemster en haar leidinggevende. Naar aanleiding van dat gesprek heeft werkneemster de volgende dag haar ontslag aangeboden. Op 29 november 2021 heeft werkneemster een e-mailbericht verzonden waarin onder meer staat dat werkneemster per 31 december 2021 uit dienst wordt gemeld. Op 16 december 2021 heeft werkneemster haar laatste loon tot die datum van Payper ontvangen. Werkneemster vordert onder meer de betaling van haar achterstallig loon en reiskosten.

Oordeel

De kantonrechter is van oordeel dat werkneemster geen feiten en omstandigheden heeft aangedragen waaruit kan worden afgeleid dat zij met Payper een mondelinge afspraak had over toekenning van een reiskostenvergoeding. Nu werkneemster op dit punt onvoldoende heeft gesteld, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.Het gevorderde bedrag van € 144 wordt afgewezen. Tussen partijen staat ter discussie op welk moment de payrollovereenkomst is geëindigd. Volgens werkneemster is dat 31 december 2021, terwijl Payper een einde op 22 november 2021 betoogt. Geoordeeld wordt dat werkneemster weliswaar in haar e-mailbericht van 22 november 2021 heeft vermeld dat zij “per direct” haar ontslag indient, maar daar staat tegenover dat in de op 29 november 2021 door Payper verzonden bevestiging van die gedane opzegging is vermeld dat werkneemster “per 31 december 2021 uit dienst wordt gemeld”. Dat die bevestiging volgens Payper een geautomatiseerde (standaard)bevestiging is waaraan geen gevolgen kunnen worden verbonden, volgt de kantonrechter niet. Geoordeeld wordt dan ook dat uit deze handelingen van Payper blijkt dat de opzegging van werkneemster is opgevat als een opzegging met inachtneming van de opzegtermijn. Nu dat strookt met de stelling van werkneemster dat zij bedoeld heeft gehad om de payrollovereenkomst op 22 november 2021 op te zeggen met inachtneming van één maand opzegtermijn, is de kantonrechter van oordeel dat de payrollovereenkomst is opgezegd tegen 31 december 2021. Payper heeft gesteld dat werkneemster geen recht heeft op loon, omdat zij zich vanaf 22 november 2021 niet beschikbaar heeft gehouden voor het verrichten van werkzaamheden. Gelet op het e-mailbericht van 29 november 2021, waarin wordt aangegeven dat werkneemster uit dienst wordt gemeld per 31 december 2021, had het op de weg van Payper gelegen om werkneemster op te roepen voor de werkzaamheden. Voor het standpunt dat werkneemster zich niet beschikbaar heeft gehouden voor het verrichten van werkzaamheden heeft Payper ook geen concreet specifiek bewijsaanbod gedaan. Dit betekent dat de loonbetalingsverplichting van artikel 7:628 BW geldt, zodat de loonvordering van werkneemster toewijsbaar is. De (verminderde) hoofdsom van € 1.395,31 wordt toegewezen.