Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Hadek Protective Systems B.V.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 28 februari 2023
ECLI:NL:GHDHA:2023:249
Werknemer is in eerste aanleg veroordeeld wegens schending van concurrentiebeding en komt in beroep. Hof bekrachtigt vonnis voorzieningenrechter.

Feiten

Werknemer is op 1 januari 2014 in dienst getreden bij Hadek Protective Systems B.V. (‘Hadek’) in de functie van Sales Support Engineer. De arbeidsovereenkomst van werknemer bevat onder meer een geheimhoudings- en concurrentiebeding. In 2019 is Hadek DWC LLC opgericht en gevestigd in Dubai. Werknemer heeft op 13 mei 2019 een arbeidsovereenkomst ondertekend voor de functie van General Manager van Hadek Dubai. Bij brief van 22 maart 2022 heeft Hadek werknemer bericht dat zijn arbeidsovereenkomst per eind maart 2022 eindigt en dat het hem is verboden om contact te onderhouden met enige of huidige relatie van Hadek. Op 23 juni 2022 heeft Hadek conservatoir bewijsbeslag gelegd op alle bescheiden, gegevensdragers enz. die betrekking hebben op (relaties van) Hadek) die werknemer onder zich heeft. Bij brief van 16 september 2022 heeft Hadek werknemer gesommeerd de schending van de contractuele bedingen te staken en contractuele boetes te betalen. In eerste aanleg heeft de voorzieningenrechter werknemer onder meer veroordeeld iedere schending van het concurrentie-, relatie- en geheimhoudingsbeding te staken. Werknemer komt in principaal beroep. Zijn conclusie strekt ertoe dat het hof primair de toegewezen vordering van Hadek alsnog zal afwijzen en, subsidiair, het concurrentiebeding met boetebeding zal schorsen.

Oordeel

Arbeidsovereenkomst 2014

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de rechtsverhouding tussen partijen wordt beheerst door de arbeidsovereenkomst van 2 januari 2014 en dat werknemer daarom gehouden is om bepaalde bedingen in die overeenkomst na te komen. Tegen dit oordeel richt werknemer meerdere grieven die erop neer komen dat de arbeidsovereenkomst van 2014 is vervangen door de arbeidsovereenkomst met Hadek Dubai. Deze grieven zijn tevergeefs voorgesteld. Het sluiten van een arbeidsovereenkomst tussen werknemer en Hadek Dubai was slechts een van de formaliteiten die nodig waren voor de realisering van een servicecenter in Dubai. Enkele werkzaamheden die werknemer in Dubai heeft gedaan, waren niet zodanig substantieel dat hij op enig moment in redelijkheid heeft kunnen menen dat de arbeidsovereenkomst van 2014 was “komen te vervallen” en dat hij in dienst was gekomen van Hadek Dubai.

Concurrentiebeding

Een volgend verweer van werknemer houdt in dat het concurrentiebeding bij de functiewijziging opnieuw overeengekomen had moeten worden omdat het beding door die functiewijzigingen zwaarder is gaan drukken. Ook deze grieven wijst het hof van de hand, omdat voldoende aannemelijk is geworden dat werknemer ook in zijn oude functie in de betrekkelijk kleine organisatie van Hadek relevante kennis had van de relaties en klanten van Hadek. Ook is onvoldoende gebleken dat het beding zwaarder is gaan drukken omdat hij meer verantwoordelijkheden heeft gekregen. Werknemer komt verder op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat Ergon een directe concurrent is van Hadek en dat werknemer in strijd handelt met het concurrentiebeding door werkzaamheden te verrichten voor Ergon. Direct na eindiging van de distributieovereenkomst tussen Ergon en Hadek is een plan opgezet om een concurrerend product voor Pennguard te gaan maken, waardoor tijdens het actieve dienstverband van werknemer bij Hadek het plan was ontstaan om een vergelijkbaar product te gaan maken. Het enkele feit dat werknemer niet betrokken was bij de ontwikkeling van het nieuwe product, is daarbij niet van belang. De grieven van werknemer hebben aldus geen succes. Ook het verweer van werknemer dat hij e-mails mocht sturen van zijn zakelijke e-mail naar zijn privé-e-mail omdat het hem niet bekend was dat hij was vrijgesteld van werkzaamheden is onvoldoende overtuigend. Tot slot oordeelt het hof dat werknemer in verhouding tot het te beschermen belang van Hadek niet onbillijk wordt benadeeld door het concurrentiebeding