Rechtspraak
Feiten
X is een webdeveloper, die als zzp'er werkzaam is. X is in 2017 een overeenkomst met een uitzendbureau aangegaan, op grond waarvan X door middeling van het uitzendbureau bij onderneming Y te werk is gesteld tot 30 april 2020. In de overeenkomst tussen de zzp’er en het uitzendbureau staat een afkoopregeling, inhoudende dat de zzp’er tijdens de looptijd van de overeenkomst dan wel binnen een jaar na afloop ervan geen overeenkomsten mag aangaan met relaties van het uitzendbureau. Doet de zzp’er dit toch, dan is hij aan het uitzendbureau een onvoorwaardelijke afkoopvergoeding van € 30.250 verschuldigd. In de overeenkomst tussen het uitzendbureau en onderneming Y staat een relatiebeding, inhoudende dat het Y verboden is de zzp’er in dienst te nemen binnen een jaar na beëindiging van de opdracht. X en Y zijn per 1 mei 2020 rechtstreeks, zonder tussenkomst van het uitzendbureau, een overeenkomst van opdracht met elkaar aangegaan. Tussen partijen is in geschil – kort gezegd – de vraag of X en Y wanprestatie hebben gepleegd dan wel onrechtmatig hebben gehandeld jegens het uitzendbureau. Volgens het uitzendbureau zijn X en Y een afkoopsom respectievelijk een boete aan haar verschuldigd geworden. Zzp’er X betwist dit. Volgens hem zijn de afkoopregeling en het relatiebeding in strijd met het belemmeringsverbod van artikel 9a Waadi en zijn daarmee nietig, zodat er geen rechtsgrond is voor de afkoopsom en de boete. Volgens het uitzendbureau gaat het beroep op artikel 9a Waadi echter niet op. Het meent dat een zzp’er niet zijnde een ex-werknemer van de uitlener geen beroep kan doen op de Waadi als hij vervolgens niet in loondienst maar als zzp’er rechtstreeks gaat werken voor de inlener.
Oordeel
De rechtbank oordeelt als volgt. Zzp’er X baseert zijn stellingen op de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 september 2020 (zie AR 2020-1094). In deze uitspraak heeft het hof – samengevat – overwogen dat de Uitzendrichtlijn en de Waadi niet alleen van toepassing zijn op werknemers die een arbeidsovereenkomst hebben gesloten met een uitzendbureau, maar ook op arbeidskrachten die een arbeidsrelatie hebben met een uitzendbureau. Volgens het hof is voor toepasselijkheid van de Uitzendrichtlijn en de Waadi dus niet vereist dat tussen de arbeidskracht en het uitzendbureau een arbeidsovereenkomst is overeengekomen. Geoordeeld is dat ook wanneer een uitzendbureau een zzp’er ter beschikking stelt aan een inlenende onderneming om daar onder leiding en toezicht van deze inlener te werken, de Uitzendrichtlijn en de Waadi van toepassing zijn. Er is cassatie ingesteld tegen voornoemde uitspraak. A-G Hartlief heeft in zijn conclusie een nuance aangebracht ten opzichte van de uitspraak van het hof. Zijn standpunt komt erop neer dat niet iedere zzp’er zich kan beroepen op de bescherming van de Waadi: voorwaarde is dat de zzp’er ‘in zijn verhouding tot het uitzendbureau materieel gezien niet wezenlijk verschilt van een werknemer van het uitzendbureau’. Partijen hebben zich hierover nog niet uit kunnen laten. Bovendien is het arrest van de Hoge Raad op zodanige termijn te verwachten, dat het thans in het belang van partijen wordt geoordeeld dit arrest af te wachten. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.