Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 5 april 2023
ECLI:NL:RBNNE:2023:1724
Feiten
Werknemers zijn allen werkzaam bij Arriva als autobuschauffeur. Zij zijn tussen december 2017 en mei 2019 in vaste dienst gekomen. Op de arbeidsovereenkomsten van eisers is de Cao Openbaar Vervoer (hierna: de cao) van toepassing. In artikel 35 lid 1 van de cao (onder arbeidstijden/ATV) is bepaald dat het uitgangspunt een vijfdaagse werkweek van 40 uur is. In artikel 9 lid 3 van de cao is bepaald dat een parttimer voorrang krijgt bij uitbreiding van het overeengekomen aantal arbeidsuren of het vervullen van een opengevallen fulltime baan in dezelfde functie, mits hij aan de functie-eisen voldoet. Bij brief van 3 november 2022 heeft de gemachtigde van werknemers namens hen aan Arriva gevraagd om ophoging van hun contracturen naar 40 uur per week. Arriva heeft dit verzoek bij brief van 25 november 2022 afgewezen. In deze brief heeft Arriva als eerste reden genoemd dat er geen formatieruimte is. Verder heeft Arriva aangegeven dat voor zover al sprake zou zijn van formatieruimte de concessiemanager de ruimte heeft om het werk zo te verdelen dat de diensten op een bedrijfseconomische manier weggereden kunnen worden c.q. zonder dat er min- en plusuren ontstaan. Het zou niet zo kunnen zijn dat uitbreiding van uren of het vervullen van een opengevallen fulltimebaan leidt tot roosters waarin medewerkers min- of plusuren opbouwen. Bij brief van 9 december 2022 heeft de gemachtigde van werknemers namens hen een nieuw verzoek om urenophoging ingediend. Arriva heeft aangegeven dat er formatieruimte vrijkomt en de uren dan te kunnen ophogen naar 36 uur per week verdeeld over vijf inzetten per week. Een ophoging naar 40 uur is volgens Arriva niet mogelijk. Werknemers hebben vervolgens onderhavig kort geding aanhangig gemaakt. Werknemers vorderen dat Arriva wordt veroordeeld tot nakoming van de cao door iedere werknemer een arbeidsovereenkomst voor 40 uur aan te bieden.
Oordeel
De gevraagde voorziening is in beginsel alleen toewijsbaar indien met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat in een bodemprocedure de vordering zal worden toegewezen en daarnaast sprake is van zwaarwegende belangen aan de zijde van werknemers die deze voorziening rechtvaardigen. Naar het oordeel van de kantonrechter is deze situatie in dit geval niet aan de orde. Gelet op de door Arriva gegeven uitleg kan vooralsnog worden aangenomen dat er in de periode november/december 2022 op de locatie Dokkum geen formatieruimte beschikbaar was voor uitbreiding van de contracturen van eisers. Voor zover die formatieruimte wel ontstaat, of inmiddels is ontstaan na het vertrek van enkele vaste medewerkers, is het niet waarschijnlijk dat deze zal worden benut voor een ophoging van de contacturen van werknemers naar 40 uur per week. In beginsel is het namelijk aan Arriva, gelet op haar beleidsvrijheid als ondernemer, om te bepalen hoe eventuele formatieruimte het beste kan worden ingevuld. Arriva heeft toegelicht dat de gemiddelde dienstlengte binnen de Friese busconcessie door verschillende oorzaken dalende is (en onder de 8.00 uur per dienst komt) waardoor er meer behoefte bestaat aan contracten met een lagere dagwaarde dan 8.00 uur per dag. Het is ook niet vanzelfsprekend dat bij vertrek van een fulltimer weer en fulltimer daarvoor in de plaats komt. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Arriva aldus haar belang bij het gevoerde beleid, dat bovendien is afgestemd met de COR, in het licht van een doelmatige bedrijfsvoering voldoende aannemelijk gemaakt. De kantonrechter heeft verder onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat het door Arriva gevoerde beleid om een urenophoging (voor nu) te maximeren op 36 uur per week in strijd komt met de voorrangsregel voor parttimers zoals die artikel 9 lid 3 van de cao is geformuleerd. Tot slot: hoewel de vorderingen van werknemers niet zo zijn ingestoken, heeft bij toewijzing hun uitwerking een declaratoir karakter. In het licht daarvan en de onzekere uitkomst van die bodemprocedure, zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter de door werknemer in dit kort geding aangevoerde belangen onvoldoende zwaarwegend om de uitkomst van die bodemprocedure niet af te kunnen wachten. De gevraagde voorzieningen zullen worden afgewezen.