Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/de Staat der Nederlanden (het Rijkvastgoedbedrijf)
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 4 mei 2023
ECLI:NL:GHSHE:2023:1416
Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens disfunctioneren. Bekrachtiging vonnis met uitzondering van de proceskostenveroordeling.

Feiten

Werknemer is in dienst van de Staat der Nederlanden (hierna: het RVB) in de functie van senior medewerker vastgoed en infrastructuur. In december 2018 en november 2019 hebben personeelsgesprekken plaatsgevonden, waarvan in het verslag als conclusie is vermeld dat de prestaties van werknemer niet volledig overeenkomen met afspraken en verwachtingen, waardoor op onderdelen verbeteringen nodig is. Op 19 juni 2020 heeft werknemer een waarschuwingsbrief ontvangen wegens het verzenden van een brief waarvoor hij de bevoegdheid niet had. Werknemer heeft bezwaar gemaakt tegen de inhoud van de waarschuwingsbrief. Ook hierna hebben enkele incidenten plaatsgevonden, waardoor in het beoordelingsverslag van werknemer van november 2020 is opgenomen dat prestaties achterblijven en een verbetertraject noodzakelijk is. In maart 2021 heeft opnieuw een personeelsgesprek plaatsgevonden waarin is benoemd dat een verbetertraject urgent en niet vrijblijvend is. De inhoud van het verbetertraject is op 15 april 2021 met werknemer besproken en op 29 april 2021 door werknemer ondertekend. Vanwege het verbetertraject hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden, waarvan gespreksverslagen zijn gemaakt. In het laatste gespreksverslag is geconcludeerd dat het verbetertraject niet tot een voldoende verbetering heeft geleid. In verband met de conclusie omtrent het verbetertraject is een herplaatsingsonderzoek gestart. Aan dit onderzoek heeft werknemer niet meegewerkt, zodat herplaatsing niet heeft plaatsgevonden. De Staat verzoekt ontbinding op de d-grond. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2022 ontbonden en het RVB veroordeeld om een transitievergoeding te betalen van € 7.051,97. Werknemer voert in hoger beroep vijf gronden aan en verzoekt onder meer primair herstel van de arbeidsovereenkomst.

Oordeel

Het hof oordeelt naar aanleiding van de vijf beroepsgronden als volgt.

Beroepsgrond A: geen kennisnemen van reactie na de mondelinge behandeling

Werknemer betoogt dat de kantonrechter in het kader van hoor en wederhoor zijn nagezonden reactie op de pleitnota van het RVB had moeten betrekken bij de beoordeling van het geschil. Nu dit niet is gebeurd, is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Het hof stelt vast dat de hiervoor genoemde reactie door werknemer in hoger beroep is overgelegd en aldus in hoger beroep deel uitmaakt van het procesdossier. Werknemer is in hoger beroep voldoende in de gelegenheid geweest om op het pleidooi van het RVB, zoals gehouden tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg, te reageren. Deze grond faalt omdat werknemer geen verder belang heeft bij de beoordeling van deze beroepsgrond. 

Beroepsgrond B: geen disfunctioneren en onvoldoende concrete verbeterpunten

Werknemer betoogt dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat sprake is van disfunctioneren en dat de verbeterpunten in het verbeterplan voldoende concreet zijn opgeschreven. Het is aan het RVB om de aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag liggende feiten en omstandigheden te stellen en, bij voldoende gemotiveerde betwisting door werknemer, te bewijzen. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de Wwz heeft de werkgever ten aanzien van de vraag of sprake is van geschiktheid of ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid als bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onder d, BW, een zekere mate van beoordelingsruimte. In de gesprekken tussen partijen voorafgaande aan het verbetertraject heeft het RVB voldoende duidelijk gemaakt aan werknemer dat en op welke punten er sprake was van disfunctioneren. Naar het oordeel van het hof sluiten de verbeterpunten aan bij de kritiek die het RVB op het functioneren van werknemer kenbaar heeft gemaakt. Het hof concludeert dat de beroepsgrond B niet slaagt. Het was voor werknemer voldoende duidelijk dat hij niet voldeed aan de eisen die het functieprofiel aan hem stelde en de verbeterpunten zijn in het plan voldoende concreet weergegeven en sluiten ook aan bij de kritiek die werknemer eerder op zijn functioneren heeft gehad. Het hof oordeelt voorts dat het RVB voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is geweest van disfunctioneren.

Beroepsgrond C: geen hulp geboden om het verbeterplan uit te voeren

Werknemer betoogt dat het RVB hem niet of nauwelijks heeft geholpen om zich te kunnen verbeteren. Er is hem geen specifieke training of scholing aangeboden, terwijl een collega niet was geëquipeerd of in staat was om hem daadwerkelijk te begeleiden. Het hof is van oordeel dat deze beroepsgrond evenmin slaagt omdat werknemer onvoldoende heeft onderbouwd waarom de aangedragen begeleiding niet passend zou zijn en omdat de verbeterpunten niet zodanig zijn dat intensieve, inhoudelijke begeleiding was aangewezen.

Beroepsgrond D: de proceskostenveroordeling

Werknemer betoogt dat hij ten onrechte in de proceskosten is veroordeeld. Het hof is van oordeel dat deze grond slaagt en dat op dit punt de bestreden beschikking dient te worden vernietigd. De proceskosten in eerste aanleg zullen alsnog worden gecompenseerd.

Beroepsgrond E: de herplaatsing

Werknemer betoogt dat het RVB onvoldoende heeft gedaan aan herplaatsing. Het hof oordeelt dat werknemer terecht stelt dat het RVB een inspanningsverplichting heeft om hem te herplaatsen. Deze grond faalt echter bij gebreke aan een onderbouwing.