Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 25 april 2023
ECLI:NL:GHAMS:2023:952
Vordering tot schadevergoeding die betrekking heeft op hetzelfde onrechtmatige besluit als waarop het zuivere schadebesluit betrekking had, namelijk het nalaten van UWV een loonsanctie op te leggen. Bestuursrechter heeft tot in hoogste instantie de vordering van werknemer afgewezen. Werknemer niet-ontvankelijk.

Feiten

Werknemer vervulde sinds 1975 een functie als groepsleraar in het primair onderwijs, in dienst van werkgever. Op 5 februari 2008 heeft werknemer zich ziek gemeld wegens spanningsklachten. Eind 2009 heeft werknemer een WIA-uitkering aangevraagd. Die aanvraag is door het UWV afgewezen. Bij besluit van 5 februari 2010 heeft werkgever per 1 maart 2010 ontslag verleend aan werknemer. Zowel tegen de afwijzing van de WIA-uitkering als tegen het ontslagbesluit heeft werknemer de bestuursrechtelijke rechtsmiddelen van bezwaar, beroep en hoger beroep aangewend. Het UWV heeft – ter uitvoering van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep – een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en aan werknemer met ingang van 2 februari 2010 alsnog een WIA-uitkering toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 44,5 procent. De Centrale Raad van Beroep heeft tevens geoordeeld dat ten tijde van het ontslagbesluit sprake was van een impasse die aan een vruchtbare verdere samenwerking in de weg stond, zodat het ontslag wegens redenen van gewichtige aard standhield. Op 18 december 2013 heeft werknemer het UWV verzocht hem een vergoeding toe te kennen voor inkomensschade, pensioenschade en immateriële schade. Daaraan heeft werknemer ten grondslag gelegd dat het UWV heeft nagelaten een loonsanctie aan werkgever op te leggen (wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen), waardoor werkgever aan werknemer ontslag heeft kunnen verlenen. Het UWV heeft dit verzoek afgewezen. Door werknemer ingesteld bezwaar, beroep en hoger beroep hebben niet tot een andere beslissing geleid. Werknemer heeft in eerste aanleg – in een civielrechtelijke procedure – gevorderd het UWV te veroordelen aan werknemer een schadevergoeding toe te kennen wegens niet-ingrijpen bij het op onjuiste gronden aan werknemer verleende ontslag. De rechtbank heeft werknemer niet-ontvankelijk verklaard. Dat werknemer er eerder voor heeft gekozen bij de bestuursrechter te procederen over zijn schadeverzoek staat eraan in de weg dat hij een dergelijk schadeverzoek nu ook aan de civiele rechter voorlegt, aldus de rechtbank. Werknemer heeft hoger beroep ingesteld.

Oordeel

Het hof oordeelt als volgt. Het hof merkt allereerst op dat de werkgever van werknemer geen partij is in deze procedure, zodat enig vermeend onrechtmatig handelen van werkgever in deze procedure niet ter beoordeling kan voorliggen. Resteert de vordering tot schadevergoeding vanwege het niet-ingrijpen door het UWV bij het op (vermeende) onjuiste gronden aan werknemer verleende ontslag, meer in het bijzonder door het nalaten aan werkgever wegens het niet-nakomen van de re-integratieverplichtingen een loonsanctie op te leggen. Het gaat hierbij om een vordering tot schadevergoeding die betrekking heeft op hetzelfde onrechtmatige besluit als waarop het zuivere schadebesluit betrekking had, namelijk het nalaten van het UWV een loonsanctie aan werkgever op te leggen. Aangezien de bestuursrechter tot in hoogste instantie de vordering van werknemer heeft afgewezen, wordt hij door de burgerlijke rechter niet-ontvankelijk verklaard.