Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 21 april 2023
ECLI:NL:RBROT:2023:3801
Feiten
Werkneemster is per 1 mei 2021 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden van Infinitas Care B.V. (hierna: IC) in de functie van kwaliteitsmanager tegen een bruto maandsalaris van € 2.869. Op 2 december 2021 is de arbeidsovereenkomst van werkneemster verlengd voor de duur van een jaar, eindigend op 2 december 2022. Bij brief van 3 december 2022 heeft IC werkneemster bericht dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op 3 december 2022 afloopt en niet zal worden verlengd. Bij brief van 10 januari 2023 heeft de gemachtigde van werkneemster IC gesommeerd om de in deze procedure verzochte bedragen binnen drie dagen te voldoen. IC heeft hieraan geen gehoor gegeven. Werkneemster verzoekt onder meer IC te veroordelen aan haar te betalen de transitievergoeding (€ 1.768), de gefixeerde schadevergoeding (€ 2.869), achterstallig loon (€ 1.549,46) achterstallige reiskosten (€ 121,85), de eindafrekening (€ 5.460,67) en de kosten van rechtsbijstand (€ 1.721,58) alsmede aan haar te verstrekken een deugdelijke specificatie van voornoemde bedragen op straffe van een dwangsom. Werkneemster maakt ook aanspraak op de aanzegvergoeding omdat IC haar niet uiterlijk één maand voor het einde van rechtswege heeft geïnformeerd over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. IC erkent dat werkneemster nog recht heeft op de verzochte bedragen. Zij voert aan dat zij al langere tijd financiële problemen heeft, waardoor meerdere betalingsconflicten met andere werknemers zijn ontstaan. Inmiddels liggen er beslagen onder alle bankrekeningen en staat het bedrijf op omvallen, zodat wordt verzocht om matiging van de wettelijke verhoging.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Hoewel IC geen verweer heeft gevoerd tegen de verzochte aanzegvergoeding, dient de kantonrechter (ambtshalve) te beoordelen of grond bestaat voor toewijzing daarvan. Uit vaste jurisprudentie volgt dat een werkgever tegelijkertijd met het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd al aan zijn aanzegverplichting kan voldoen. De arbeidsovereenkomst van werkneemster bevat een bepaling waaruit een aanzegging bij voorbaat volgt. Het was voor werkneemster reeds vanaf aanvang van het tweede tijdelijke dienstverband duidelijk dat de arbeidsovereenkomst niet verlengd zou worden. Niet gesteld of gebleken is dat IC van deze bepaling heeft willen afwijken. Werkneemster kan dus geen aanspraak maken op de aanzegvergoeding en het verzoek wordt afgewezen. IC heeft de hoogte en verschuldigdheid van de overige bedragen niet betwist. Nu de verzochte bedragen de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voorkomen, zullen deze bedragen worden toegewezen. Ook de wettelijke verhoging van vijftig procent van het verschuldigde loon wordt toegewezen. Door IC is weliswaar verzocht om een matiging vanwege de slechte financiële situatie, maar hij heeft geen stukken ter onderbouwing daarvan in het geding gebracht. Het verzoek tot het verstrekken van deugdelijk bewijs en deugdelijke specificatie van de (na)betaling van de in deze beschikking toegewezen bedragen is eveneens toewijsbaar. Ten aanzien van de kosten voor juridische rechtsbijstand, overweegt de kantonrechter als volgt. De rechtbank hanteert het uitgangspunt dat dergelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen, indien zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Daarvan is geen sprake. IC wordt wel in de proceskosten veroordeeld.