Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 4 mei 2023
ECLI:NL:RBOBR:2023:2087
Feiten
Werknemer is in 1998 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van betonpompmachinist. Op 1 augustus 2016 heeft werknemer zich als gevolg van lichamelijke beperkingen ziek gemeld. Gedurende twee jaar heeft werkgeefster het loon tijdens ziekte doorbetaald. De loondoorbetalingsverplichting van werknemer is geëindigd per 30 juli 2018. Werknemer ontvangt geen WIA-uitkering omdat hij minder dan 35 procent arbeidsongeschikt is. Werknemer heeft werkgeefster per brief van 6 april 2021 gevraagd de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid te beëindigen met wederzijds goedvinden en daarbij de wettelijke transitievergoeding te betalen. Werkgeefster heeft dat bij brief van 20 april 2021 afgewezen. Volgens werknemer is sprake van een slapend dienstverband en hij vordert dat werkgeefster op korte termijn wordt veroordeeld om mee te werken aan beëindiging van dat dienstverband op grond van goed werkgeverschap onder betaling van een Xella-vergoeding. Werkgeefster heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering omdat zij het dienstverband op 1 augustus 2018 financieel heeft afgewikkeld.
Oordeel
Vaststaat dat werknemer niet schriftelijk heeft ingestemd met de opzegging van de arbeidsovereenkomst. Het enkel versturen van een eindafrekening leidt niet tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Werknemer is pas na twee jaar ziekte aan de slag gegaan bij een andere werkgeefster in het kader van zijn re-integratie. Het aangaan van een andere arbeidsovereenkomst zorgt er niet automatisch voor dat een andere, eerder aangegane arbeidsovereenkomst eindigt. De arbeidsovereenkomst tussen partijen duurt daarom voort. Volgens de kantonrechter is sprake van een slapend dienstverband. Werkgeefster was verplicht in te stemmen met het verzoek van werknemer op 6 april 2021 om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te beëindigen onder toekenning van een transitievergoeding. Niet in geschil is dat werknemer als gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid niet (meer) in staat is de bedongen arbeid van betonpompmachinist bij werkgeefster uit te voeren of andere passende werkzaamheden binnen werkgeefster te verrichten. Het verweer dat 'het [...] geen pas [geeft] om op grond van goed werkgeverschap meer dan 2,5 jaar later een vergoeding ter hoogte van de transitievergoeding op te eisen' en dat hiermee aan het doel van de transitievergoeding voorbij wordt gegaan, wordt gepasseerd. Voor zover werkgeefster met dit betoog heeft bedoeld zich te beroepen op rechtsverwerking wordt het verweer verworpen. Het voorgaande brengt mee dat werkgeefster aan werknemer een transitievergoeding is verschuldigd. Werknemer heeft recht op een transitievergoeding van € 19.946,48 bruto, gebaseerd op de laatste dag van het tweede ziektejaar van 31 juli 2018.