Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 14 december 2022
ECLI:NL:RBROT:2022:12142
Feiten
Werkneemster is op 12 mei 1980 in dienst getreden bij (een rechtsvoorganger van) werkgeefster, die een supermarkt exploiteert, handelend onder de naam Jumbo. Met Jumbo is een nieuwe arbeidsovereenkomst aangegaan ingaande per 3 april 2017. Zij is sindsdien werkzaam geweest in de functie van eerste verkoopmedewerker gedurende 37 uur per week. Begin september 2022 is werkgeefster er door een medewerker op gewezen dat werkneemster in de supermarkt broodjes had gegeten zonder af te rekenen. Op 5 september 2022 is op basis van camerabeelden vastgesteld dat werkneemster inderdaad meermaals kort voor lunchtijd een broodje in de winkel pakte, waarvoor zij op dat moment niet betaalde. Op 6 september 2022 is Hoffmann Bedrijfsrecherche (hierna: Hoffmann) ingeschakeld om hiernaar onderzoek te verrichten. Hoffmann heeft waargenomen dat medewerkster rond de lunchtijd een broodje en vleeswaren heeft gepakt, zonder te betalen en daarna naar de bedrijfskantine is gegaan. Werkgeefster heeft Hoffmann verzocht het onderzoek uit te breiden naar de urenregistratie door werkneemster, omdat op 12 september 2022 een assistent-filiaalmanager op camerabeelden heeft gezien dat zij in de voorliggende periode ook eerder naar huis ging dan de afgesproken eindtijd en het vermoeden is gerezen dat zij haar uren niet juist registreerde. Op vrijdag 16 september 2022 hebben twee medewerkers van Hoffmann een gesprek gevoerd met werkneemster, waarna zij op non-actief is gesteld en haar te kennen is gegeven dat zij op korte termijn bericht zou ontvangen over de vervolgstap. Op maandag 19 september 2022 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden in aanwezigheid van gemachtigden. Bij die gelegenheid is werkneemster geconfronteerd met bevindingen uit het onderzoek en is haar gelegenheid geboden erop te reageren. Bij brief van 20 september 2022 is werkneemster op staande voet ontslagen. Werkneemster verzoekt vernietiging van het ontslag op staande voet en de dag te bepalen waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal eindigen en werkgeefster te veroordelen tot betaling van salaris, transitievergoeding en een billijke vergoeding. Werkgeefster voert verweer en verzoekt betaling van een schadevergoeding en de onderzoekskosten.
Oordeel
Bij brief van 8 november jl. heeft werkneemster meegedeeld haar eerdere verzoeken in te trekken en nieuwe verzoeken geformuleerd. Daarbij is te kennen gegeven dat zij terugkeer bij werkgeefster niet meer als een reële optie ziet en dat zij berust in het feit dat de arbeidsovereenkomst tot een einde “zal komen”. Deze wijziging van het verzoek is naar het oordeel van de kantonrechter niet ondubbelzinnig. Het gestelde dat werkneemster erin berust dat de arbeidsovereenkomst tot een einde zal komen gecombineerd met verzoeken om een verklaring voor recht dat het ontslag nietig is, om bepaling van een datum waarop de arbeidsovereenkomst zal zijn geëindigd en om loonbetaling tot die datum impliceert dat zij de mening is toegedaan dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt. De verzoeken om transitievergoeding en billijke vergoeding impliceren echter dat de arbeidsovereenkomst al is geëindigd. Dit betekent dat zich geen situatie voordoet waarin werkneemster zich ondubbelzinnig heeft neergelegd bij het ontslag. Omdat die situatie zich niet voordoet, kan het ontslag nog steeds worden aangevochten. Ook voor de ‘dubbele switch’ wordt geen beletsel aanwezig geacht, mede omdat de juridische en de feitelijke grondslag voor het een of het ander reeds bekend is. Op grond van artikel 7:681 lid 1 BW kan de kantonrechter op verzoek van een werknemer de opzegging vernietigen of ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toekennen. Het is het een of het ander. De kantonrechter besluit het verzoek aldus te lezen dat tevens wordt verzocht de opzegging te vernietigen en om het voorwaardelijke tegenverzoek mee te nemen in de beoordeling. Het verzoek om het ontslag op staande voet te vernietigen wordt afgewezen omdat naar het oordeel van de kantonrechter werkgeefster bevoegd is geweest de arbeidsovereenkomst op te zeggen om dringende redenen en dat daarvan onverwijld mededeling is gedaan. Tegenover de medewerkers van Hoffmann heeft werkneemster niet aangetoond te hebben betaald voor de door haar genuttigde etenswaren van de supermarkt. Evenmin is tegenover hen een goede verklaring gegeven voor het door haar niet gebruiken van het kloksysteem door dagelijks in- en uit te klokken, maar werkuren onjuist te registreren via de computer. Werkgeefster heeft zorgvuldig gehandeld met betrekking tot het onderzoek naar de feiten en omstandigheden en het daarop volgende ontslag op staande voet. De tegenverzoeken van werkgeefster, waaronder de betaling van de onderzoekskosten ter hoogte van € 5.852,35, worden toegewezen.