Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Tilburg), 26 april 2023
ECLI:NL:RBZWB:2023:3603
Feiten
Werkneemster is op 1 oktober 2022 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van ambulanceverpleegkundige. Werkneemster is op 3 oktober 2022 aangevangen met een opleiding, die 16 tot 18 maanden zou duren. Op 21 november 2022 heeft werkgeefster aan werkneemster laten weten de opleiding te beëindigen, omdat er onvoldoende vertrouwen is dat werkneemster de theorie goed naar de praktijk vertaalt. Werkneemster is geadviseerd om eerst drie jaar te werken op een SEH-afdeling van een ziekenhuis om meer praktijkervaring op te doen. Op 25 november 2022 is aan werkneemster een vaststellingsovereenkomst aangeboden waarin staat dat zij zelf ontslag neemt en is aangeboden haar te begeleiden naar werk in het ziekenhuis. Werkneemster is daar niet mee akkoord gegaan en verricht vanaf 21 november 2022 geen werkzaamheden meer bij werkgeefster. Werkgeefster verzoekt de arbeidsovereenkomst met werkneemster te ontbinden, primair op de h-grond (de opleiding is beëindigd en daarmee is de arbeidsovereenkomst inhoudsloos geworden, nu volgens werkgeefster de functie alleen kan worden uitgeoefend met een afgeronde opleiding en zij op goede gronden tot het stopzetten van de opleiding is gekomen), subsidiair op de g-grond (werkgeefster heeft geen enkel vertrouwen meer in de continuering van het dienstverband).
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De redenen die werkgeefster ter onderbouwing van de h-grond noemt, vinden naar het oordeel van de kantonrechter hun oorsprong in de ongeschiktheid van werkneemster om de bedongen arbeid te verrichten. Werkgeefster stelt namelijk dat werkneemster het praktijkgedeelte van de opleiding niet succesvol doorliep en dat dit de reden was de opleiding te beëindigen. Nog daargelaten dat men zich kan afvragen of de door werkgeefster gestelde omstandigheden voldoende verschillen van de in artikel 7:669 lid 3 sub a tot en met g BW genoemde gronden, omdat de omstandigheden feitelijk zien op disfunctioneren (d-grond), geldt dat er geen sprake is van een voldragen h-grond. Werkneemster is de opleiding op 3 oktober 2022 gestart en deze zou 16 tot 18 maanden duren. Op 21 november 2022 heeft werkgeefster al aan werkneemster te kennen gegeven de opleiding te beëindigen. De kantonrechter is van oordeel dat een voortijdige beëindiging van de opleiding op initiatief van de werkgever onder omstandigheden mogelijk is, zoals bijvoorbeeld wanneer er geen enkel perspectief is dat de werkneemster haar opleiding succesvol zou voltooien. Werkgeefster stelt dat werkneemster onvoldoende progressie heeft, maar dit is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om op zo korte termijn te zeggen dat er geen enkel perspectief was. De stelling dat bij werkneemster de basis ontbreekt en ze niet goed kan reflecteren, neemt niet weg dat dit gaandeweg beter kon worden. Voorts is op 8 november 2022 nog aan werkneemster medegedeeld dat ‘er de komende maanden meer duidelijkheid moet ontstaan of [zij: red] het gewenste gedrag laat zien’, terwijl werkgeefster vervolgens al binnen twee weken heeft gezegd dat werkneemster zou moeten stoppen. Ook van een voldragen d-grond is geen sprake, onder meer nu werkneemster geen redelijke kans heeft gekregen tot verbetering. Voor ontbinding op de g-grond is nodig dat de arbeidsverhouding duurzaam en ernstig is verstoord. Werkgeefster stelt geen vertrouwen meer te hebben in werkneemster, onder meer omdat zij niet bekwaam zou zijn, maar dat betekent naar het oordeel van de kantonrechter niet dat de samenwerking is verstoord. Of werkneemster de opleiding succesvol kan doorlopen is ook in handen van werkgeefster, omdat het op haar weg ligt om werkneemster gelegenheid te geven zich te verbeteren. Dit heeft zij – zoals gezegd – onvoldoende gedaan en zij is te voortvarend tot beëindiging van de opleiding overgegaan. Van een voldragen g-grond is dan ook geen sprake. Volgt afwijzing van het ontbindingsverzoek.