Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 15 maart 2023
ECLI:NL:RBMNE:2023:1352
Feiten
Werkneemster is op 30 maart 1998 in dienst getreden van werkgever, een overheidsinstelling. Sinds de inwerkingtreding van de Wnra (1 januari 2020) is de cao Gemeenten van toepassing op de arbeidsovereenkomst. Artikel 10.1 van deze cao bepaalt dat indien de arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd wegens disfunctioneren en werknemer WW ontvangt, recht bestaat op een aanvullende uitkering. Op 17 juni 2020 hebben partijen een beëindigingsovereenkomst gesloten als gevolg waarvan de arbeidsovereenkomst van werkneemster per 1 oktober is geëindigd. In de beëindigingsovereenkomst is overwogen dat “partijen over de wijze van functioneren van mevrouw [werkneemster] veel gesprekken hebben gevoerd. Uiteindelijk heeft dit geleid tot de constatering dat hetgeen van mevrouw [werkneemster] wordt gevraagd in haar functioneren en hetgeen zij kan bieden, onvoldoende overeenstemt en niet te overbruggen was en dat de arbeidsovereenkomst diende te worden beëindigd.” Werkneemster ontvangt een WW-uitkering maar heeft volgens APG, uitvoerder bovenwettelijke uitkeringen, geen recht op een bovenwettelijke uitkering. Werkneemster is het daar niet mee eens en vordert primair een verklaring voor recht dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voldoet aan de voorwaarden van artikel 10.1 cao Gemeenten zodat recht bestaat op de bovenwettelijke uitkering en subsidiair een schadevergoeding omdat werkgever onrechtmatig heeft gehandeld door ten onrechte het verzoek tot een bovenwettelijke uitkering af te wijzen. Volgens werkneemster moet de cao Gemeenten worden uitgelegd in het licht van de CAR/UWO – de regelingen die tot de inwerkingtreding van de Wnra op ambtenaren van toepassing waren – waarin was geregeld dat een ambtenaar aan wie ontslag werd verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie, recht had op een aanvullende uitkering. Nu uit de beëindigingsovereenkomst blijkt dat werkneemster is ontslagen vanwege haar disfunctioneren, zij onder de CAR/UWO recht zou hebben op een bovenwettelijke uitkering en de cao Gemeenten slechts een tekstuele vertaalslag is geweest van de CAR/UWO, heeft zij op grond van de cao Gemeenten ook recht op een bovenwettelijke uitkering.
Oordeel
De kantonrechter wijst de vorderingen van werkneemster af en overweegt daartoe als volgt. Nog los van de vraag of uit de beëindigingsovereenkomst kan worden geconcludeerd dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd als gevolg van disfunctioneren, wat door werkgever wordt betwist, volgt de kantonrechter de stelling van werkneemster dat de cao Gemeenten slechts een tekstuele vertaalslag is geweest van de CAR/UWO niet. Bij het opstellen van de cao Gemeenten is zo veel mogelijk aangesloten bij de CAR/UWO, maar dat betekent niet dat er geen enkele inhoudelijke aanpassing is gedaan. Tussen het civiele en bestuursrechtelijke ontslagrecht bestaan immers inhoudelijk grote verschillen en een daarvan is de mogelijkheid tot beëindiging met wederzijds goedvinden. Het is niet aannemelijk dat deze mogelijkheid niet is meegenomen bij het opstellen van artikel 10.1 van de cao Gemeenten. Nergens uit blijkt dat het de bedoeling is geweest om de beëindiging met wederzijds goedvinden (als gevolg van disfunctioneren) ook onder dit artikel te laten vallen. Daar komt nog bij dat in een beëindigingsovereenkomst afspraken kunnen worden gemaakt over de financiële gevolgen van beëindiging, dat werkneemster tijdens de onderhandelingen over de beëindigingsovereenkomst is bijgestaan door een advocaat en dat daar niet is gesproken over de bovenwettelijke uitkering. De conclusie is dat werkneemster geen aanspraak kan maken op de bovenwettelijke uitkering.