Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 2 maart 2023
ECLI:NL:RBZWB:2023:3223
Feiten
Werknemer is op 3 januari 2000 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van chauffeur koel- en vriesvervoer. Werknemer heeft zich op 19 april 2021 ziekgemeld. Op 11 mei 2021 heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat werknemer niet in staat is om zijn werk te verrichten. Op 4 oktober 2021 constateert de bedrijfsarts dat inmiddels sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie en adviseert mediation. Werkgeefster heeft werknemer op 6 oktober 2021 bericht dat werknemer onterecht het contact met werkgeefster afhoudt en geen vervangende werkzaamheden wil verrichten. Uiteindelijk heeft zij over negen verlofdagen in 2021 geen salaris betaald. Ook later is werkgeefster gestopt met loondoorbetaling, omdat werknemer geen contact met haar onderhoudt. Werknemer vordert betaling van achterstallig loon.
Oordeel
Tussen partijen is in geschil of werknemer zich hield aan zijn re-integratieverplichtingen, of werkgeefster dientengevolge gerechtigd was de loondoorbetaling stop te zetten en of zij daarbij alle formaliteiten in acht heeft genomen. Werkgeefster voert aan dat ten minste van werknemer verwacht mocht worden dat hij contact onderhield. Uit de berichten van de bedrijfsarts volgt echter dat nimmer is geoordeeld dat werknemer (vervangende) werkzaamheden kon verrichten en vanaf 19 oktober 2021 is zelfs diverse malen geadviseerd geen contact te onderhouden met werkgeefster. Werknemer heeft zich hieraan gehouden, zodat niet kan worden geoordeeld dat hij zich niet aan zijn re-integratieverplichtingen heeft gehouden. Dat werkgeefster het hier niet mee eens is, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het is niet aan de werkgever te bepalen waar een werknemer aan moet voldoen tijdens ziekte. Dat oordeel ligt bij de bedrijfsarts. Het had op de weg van werkgeefster gelegen een second opinion te vragen als zij het niet eens was met de bedrijfsarts. Dit heeft zij niet gedaan, zodat de kantonrechter aansluiting zoekt bij het oordeel van de bedrijfsarts. Het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter voorlopig van oordeel is dat werknemer zich aan zijn verplichtingen heeft gehouden, zodat er aan de zijde van werkgeefster geen beroep op loonopschorting/stopzetting kon worden gedaan. Nu werkgeefster niet (gemotiveerd) heeft aangevoerd dat er sprake is van een restitutierisico dat aan de toewijzing van de gevorderde voorziening in de weg staat, is de loonvordering toewijsbaar. Ook de wettelijke verhoging is verschuldigd, maar deze zal in dit geval worden gematigd tot 25%.